Danny


"Ik heb mijn gebit niet in vandaag," zegt hij, "maar rabarber eet ik zo". Hij trekt de harde vliezen van de stengel en werkt het zaakje krakend naar binnen. Danny moet nog veertig worden, maar hij weet al lang dat het leven is aan degenen die oplossingen bedenken voor obstakels die zich aandienen.

Ik ben een dag gaan meelopen op De Site, een project aan het Gentse Rabot, één van de armste wijken in ons land.

Griet op de beeckAanleiding zijn de berichten over het armoedebeleid van Liesbet Homans. Omdat zelf gaan kijken soms helpt om te kijken of het klopt, wat je intuïtief meent aan te voelen: dat bijvoorbeeld één euro-maaltijden wellicht niet de zinvolste besteding is van de beperkte budgetten.

 

Hier schuiven mensen niet aan voor een goedkoop bord eten, hier hebben ze zelf van een braakliggend stuk grond een plek gemaakt waar biogroenten worden geteeld en dieren gehouden. Wie komt, doet dat vrijwillig, kiest het werk dat hij of zij graag doet. Kinderen krijgen voetbaltraining van één van de buurtbewoners. In ruil voor hun werk krijgen ze torekes, een betaalmunt die ze in de wijk kunnen gebruiken, bijvoorbeeld in de sociale kruidenier die verkoopt en bereidt wat zij verbouwen, of om tramtickets te kopen, of om hier zelf een tuintje te huren.

Danny kennen ze hier allemaal, op De Site, en hij ontfermt zich over iedereen. De wat oudere Turkse vrouwen noemt hij meiske. De coördinator roept hij door plagerig 'hee janet' te brullen. Het jongetje van tien dat zo zijn best doet om Nederlands te spreken, maakt hij gelukkig door zijn kleine vergoeding aan hem te geven. Dat hij zelf van 850 euro per maand moet leven, lijkt hij even te willen vergeten.

En mij trekt Danny galant mee de composthoop op. We halen er met onze blote handen alle niet-verteerbare rotzooi uit. Danny snijdt zich aan glasscherven, een jaap in zijn duim. Hij haalt zijn schouders op en wroet verder. "Ik voel niks meer," zegt hij. Hard geworden, omdat dat moest. "Liefde, weet gij wat dat is?" Hij kijkt mij aan. "Ik niet. Zelfs mijn eigen kinderen zie ik niet graag." Een kwartier later toont hij mij de op zijn borst getatoeëerde namen van zijn zonen, vertelt dat zijn jongste gestorven is, en dat hij degene die zijn twee oudsten iets aan zou doen, om zeep zou kunnen helpen. Bij Danny héten de dingen alleen maar anders, moet ik denken.

Tweeënhalf was hij toen ze hem weghaalden bij zijn ouders. Als kind zwaar ziek geweest, nog altijd 33 procent invalide als gevolg, misbruikt door een opvoeder, op zijn achttiende op straat beland, zonder geld. Danny heeft zijn plan leren trekken. En veel drugs gebruikt. Toen de rechter onlangs te kennen gaf dat de voorwaarden voor zijn vervroegde vrijlating 'geen drugs', zouden zijn, heeft hij gezegd: "daar ga ik mij niet aan kunnen houden." Nu rookt hij alleen nog cannabis, en ook omdat hij zich zo voor De Site engageert, kwam hij toch vrij. Danny is een ontroerend soort eerlijk dat ik nog maar zelden zag, ook als hij daarmee zijn eigen ruiten inslaat.

Terwijl we samen hout versleuren, vertelt hij dat het een opluchting zou zijn als hij straks onder een bus zou lopen. Hij peilt mijn reactie. Ik antwoord dat ik dat erg zou vinden. "Ja," zegt hij, "ik begrijp dat dat voor u erg lijkt, de dood." Dan graaft hij verder, deze boomlange kerel, die werk verricht in veel hoger tempo dan de gemiddelde tuinder in loondienst zou doen. De kans bestaat dat hij hier op termijn betaald in dienst kan komen. Dat zou hij geweldig vinden. Hier kan hij iets betekenen voor anderen. Hij heeft al veel volk meegebracht. Soms helpt het hen uit de miserie, soms niet, maar een mens kan maar proberen. Hier is hij vrij, hier kan hij zijn gedachten wegsmijten, zegt hij, en dat helpt. Danny zou het zelf zo niet noemen, denk ik, maar ik voel de trots op de kleine bergen die hij hier verzet. Ook al hebben ze hem lang geleden proberen af te leren om trots op zichzelf te zijn.

We denken dat we weten wat armoede is. We weten niks. Behalve dan misschien dat levens niet beter worden van een occasionele maaltijd voor één euro. Armen hebben nood aan projecten die hen teruggeven wat ze zijn kwijtgeraakt: eigenwaarde, sociaal contact, zichzelf mogen zijn en daar niet op worden afgewezen. Alle mensen verdienen een eerlijke kans. Eentje die ze vaak niet krijgen. Dat heeft ook te maken met de beperkte middelen voor armoedebestrijding, én hoe de overheid die aanwendt. In ontwikkelingssamenwerking geldt de wet al jaren: geef geen vis, leer mensen vissen. Laten we toch alstublieft in eigen land die klok niet terugdraaien.

Column van Griet Op de Beeck verschenen in FRANK 14, tijdschrift van Samenlevingsopbouw Gent.


Lees ook de vorige reportages