Ongeveer 4,2 procent van de bevolking leeft in een situatie van onderbescherming. Zij realiseren niet al hun sociale grondrechten. Samenlevingsopbouw biedt daar een oplossing voor.

In iedere stad of gemeente leven er burgers, gedurende één of meerdere periodes van hun leven, in een situatie van onderbescherming. Dat wil zeggen dat er sprake is van het niet-realiseren van (bepaalde) sociale grondrechten, waar uiteenlopende redenen aan ten grondslag liggen. In dit artikel staan we kort stil bij de definitie van onderbescherming die Samenlevingsopbouw hanteert. Vervolgens krijg je meer inzicht in het ‘lokaal proactief kader’ en bespreken we het draaiboek dat we ter beschikking stellen aan iedere actor die een rol wil opnemen in het bestrijden van onderbescherming. Tot slot geven we een paar lessen mee die de 19 pilootgemeenten hebben geleerd tijdens het Vlaamse pilootproject ‘Lokaal proactief kader’.


Onderbescherming

Onderbescherming is iedere situatie waarin diegenen zich bevinden die niet al hun sociale grondrechten realiseren. De aanpak van de problematiek van onderbescherming heeft een lokaal karakter, zonder het belang van automatische rechtentoekenning (hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de regionale en federale overheden) teniet te doen. We stellen dat het probleem van onderbescherming vooral voor steden en gemeenten tastbaar en dus dichtbij is. Zo ook de oplossing.

Waarom moeten we onderbescherming bestrijden? In het rapport van het Steunpunt WVG lezen we dat de strijd tegen de problematiek van onderbescherming van maatschappelijk belang is: het gaat om een omvangrijk fenomeen dat de ondoeltreffendheid van het sociaal beleid uitdrukt en ongerechtvaardigde ongelijkheden creëert tussen rechthebbenden. Daarnaast blijkt ook beleid een rechtstreekse rol te spelen in het veroorzaken van niet-gebruik, onder meer door in het toekenningsreglement van rechten en diensten het initiatief tot realiseren hiervan volledig bij de rechthebbenden te laten. Precies op deze belangrijke factor speelt proactief handelen in: bij proactief handelen verschuift het initiatief tot het realiseren van rechten en diensten van de rechthebbende burger naar de aanbiedende overheid of organisatie.

De oneindige papiermolen, ingewikkelde procedures, onaardig behandeld worden aan een loket, niet weten dat je daar óók recht op hebt, niet te rade kunnen gaan bij vrienden of kennissen, pas hulp durven zoeken als het water aan de lippen staat, onduidelijke brieven, een aanvraagformulier niet correct kunnen invullen … Ongetwijfeld herkenbare situaties voor iedereen die te maken krijgt met hulp- en dienstverleners. Voor mensen in maatschappelijk kwetsbare posities een hardnekkige realiteit van drempels, onmacht en gêne. Het recht op maatschappelijke dienstverlening garandeert mensen een leven in menselijke waardigheid. Vandaag staat dit recht onder druk.


Lokaal Proactief Kader

In de strijd tegen onderbescherming schuift Samenlevingsopbouw het ‘lokaal proactief kader’ als oplossingsmodel naar voor. Dit artikel behelst niet slechts een pleidooi voor lokaal proactief handelen. We reiken een draaiboek aan, met concrete praktijkvoorbeelden en doorverwijzingen naar experten. Met de juiste omkadering kan jij ook in jouw stad of gemeente aan de slag. Je moet niet het warm water heruitvinden. En nog belangrijker: we sturen je niet van het kastje naar de muur.  

In 2012 startten 19 pilootgemeenten met het draaiboek van Samenlevingsopbouw aan een innovatief project: Aalter, Antwerpen, Avelgem, Beerse, Boom, Eeklo, Gent, Halle, Herentals, Heist o/d Berg, Kortrijk, Leuven, Lier, Lokeren, Overpelt, Roeselare, Ronse, Turnhout en Zelzate. Een uitdaging die vraagt om een doorgedreven visie, een andere houding van dienstverlenend personeel en bovenal om participatie van diegenen waar het allemaal om draait. Met andere woorden: een verschuiving van een eerder responsieve dienstverlening naar een meer proactieve dienstverlening. Bij proactief handelen is de initiatiefnemer niet de burger, maar de dienstverlener zelf. Het is de dienstverlener die stappen zet om ervoor te zorgen dat eenieder die recht heeft op zijn diensten deze rechten ook realiseert.

In elke pilootgemeente werkten mensen in een maatschappelijk kwetsbare positie, OCMW en lokale actoren in dialoog een plan uit met verbeteracties. De lokale resultaten werden op Vlaams niveau gedeeld, geanalyseerd en verwerkt in een draaiboek en beleidsaanbevelingen. Op 28 november 2014 worden de resultaten van het project ‘Lokaal Proactief Kader’ gedeeld tijdens de studiedag ‘Iedereen Beschermd’.


Een kader voor lokaal proactief handelen

Het steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (KU Leuven) heeft het project wetenschappelijk opgevolgd. Deze wetenschappelijke ondersteuning resulteert in een beleidskader voor lokaal proactief handelen ter bestrijding van onderbescherming. De ontwikkeling van een dergelijk beleidskader speelt in op de problematiek van niet-gebruik van een publiek aanbod van rechten en diensten.

Het voorgestelde kader voor lokaal proactief handelen is opgebouwd aan de hand van verschillende niveaus: van één centraal principe over drie beleidstaken en twee kernprocessen tot zes werkpistes:

LPK

De verschillende niveaus en elementen vormen samen één geheel, namelijk een geïntegreerd kader voor lokaal proactief handelen. De kernelementen zijn daarin onlosmakelijk met elkaar verbonden en proactieve dienstverlening vereist een gecombineerde aanpak op elk van deze sporen. Evolueren naar een proactieve dienstverlening is geen lineair proces. Het parcours dat tussen deze pijlers wordt afgelegd is uniek voor iedere lokale context, waarbij elke pijler een vertrekpunt voor het traject kan zijn. Idealiter wordt er tegelijkertijd op verschillende niveaus en pijlers gewerkt zodat de verschillende sporen elkaar kunnen versterken, al zal doorheen het proces de klemtoon op het ene of andere niveau verschillen.


Één centraal principe

Centraal principe binnen het kader is gedeelde verantwoordelijkheid bij alle actoren om onderbescherming te bestrijden. Deze gedeelde verantwoordelijkheid heeft zowel betrekking op een multi-level, een multi-actor, als een multi-dimensionele benadering. Verschillende instanties en organisaties op verschillende beleidsniveaus zullen een rol moeten spelen in de strijd tegen onderbescherming. Daarbij moet ruimer gekeken worden dan het klassieke welzijnslandschap en dient men ook oog te hebben voor in eerste instantie niet-evidente partners. Zonder exhaustief te zijn, valt hier te denken aan bijvoorbeeld politie, huurdersbonden, vakbonden, (geestelijke) gezondheidszorg, VDAB, thuiszorg … Daarnaast zal proactieve dienstverlening ook steeds een multi-dimensionele benadering vereisen. De verschillende levensdomeinen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, waardoor een integrale en inclusieve aanpak op diverse domeinen noodzakelijk zal zijn opdat mensen in onderbescherming al hun sociale grondrechten uitputten.


Drie beleidstaken

Bij lokaal proactief handelen schuiven we drie taken voor het beleid naar voor: stimuleren van visie en draagvlak, regievoeren en structureel verankeren, en ondersteunen.

In eerste instantie moet er gewerkt worden aan het uitdragen van de visie van proactief handelen en het creëren van een draagvlak. Proactief handelen dient daarbij idealiter als een horizontaal thema doorheen verschillende beleidsdomeinen en sectoren te lopen. Het mag geen afzonderlijke doelstelling of een losstaand werkingsgebied zijn, maar dient als een brede visie de hele organisatie en het hele beleid te overkoepelen.

Het is een grote meerwaarde, maar geen allesbepalende factor, indien een project over lokaal proactief handelen kan vertrekken vanuit gedragenheid bij onder andere beleidsmakers en medewerkers op alle organisatieniveaus. Het is zeer belangrijk dat het merendeel van de actoren openstaat voor het project en ruimte bieden voor openheid en zelfreflectie. Tegelijkertijd dient benadrukt te worden dat visievorming en draagvlak voor die visie ook gecreëerd worden gaandeweg het project.

Wanneer verschillende actoren een rol dienen op te nemen in de bestrijding van onderbescherming roept dit in tweede instantie ook de nood op aan coördinatie en regievoering om dit samenwerkingsverband in goede banen te leiden. We pleiten voor een sterke lokale regie. Dit niveau staat immers het dichtst bij de doelgroep en kan hierdoor het best op diens noden inspelen. Het OCMW lijkt de aangewezen partner om op lokaal niveau dit proces naar proactieve dienstverlening te initiëren en hiertoe een lokaal forum op te richten waarin relevante partners betrokken worden. Ook kan de trekkersrol opgenomen worden door medewerkers van basiswerkingen, zoals armenverenigingen, Welzijnsschakels en buurtwerkingen van Samenlevingsopbouw.

Ten slotte mag proactief handelen niet beperkt worden tot projectwerking, maar zou verankerd moeten zijn binnen de reguliere werking van de hulp- en dienstverlening. Wil men op lange termijn evolueren naar proactieve dienstverlening, dan zal deze visie structureel verankerd moeten worden in de wet- en regelgeving en de meerjarenplannen, zowel op bovenlokaal als lokaal niveau.

Een project over lokaal proactief handelen heeft de nodige ondersteuning nodig. Wanneer verwacht wordt dat organisaties de visie van proactief handelen uitbouwen en verankeren binnen hun werking op lange termijn, dan is het belangrijk om hen hier voldoende ruimte, middelen en praktische ondersteuning voor aan te reiken. Deze ondersteuning kan verschillende vormen aannemen: inhoudelijke input via een kennisplatform, intervisie tussen gemeenten, vorming, procesbegeleiding, financiële ondersteuning …


Twee kernprocessen

Er zijn twee kernprocessen die de ruggengraat vormen van ieder project over lokaal proactief handelen: participatie en dialoog enerzijds en samenwerken en netwerken anderzijds.

Het in de praktijk brengen van een geïntegreerd kader voor lokaal proactief handelen zal steeds moeten gebeuren op basis van een permanente dialoog met de doelgroep. Dialoog tussen doelgroep, praktijkorganisaties en beleid moet de basis vormen om op lokaal niveau te evolueren naar meer proactieve dienstverlening. Het voorgestelde kader is dan ook geen strak keurslijf, maar biedt handvatten tot proactief handelen die in een open dialoog met verschillende actoren vertaald moeten worden naar de lokale context.

Het bestrijden van onderbescherming is een gedeelde verantwoordelijkheid van verschillende actoren. Proactieve dienstverlening vraagt dan ook om een breed netwerk van partnerorganisaties. Ontschotting tussen en binnen organisaties, gemeenten en sectoren zal noodzakelijk zijn om uiteindelijk te komen tot een geïntegreerd en integraal beleid ten aanzien van personen in onderbescherming. Ook op beleidsniveau zullen er kruispunten en rotondes moeten worden ingebouwd om een integraal beleid over verschillende sectoren en bevoegdheidsgebieden in goede banen te leiden.


Zes werkpistes

We onderscheiden zes werkpistes waarbinnen mogelijke verbeteracties geformuleerd kunnen worden. Hier dient benadrukt te worden dat de verbeteracties waarvoor geopteerd wordt zeer afhankelijk zijn van factoren als de lokale context en de haalbaarheid binnen het project (in het kader van beschikbare middelen, de personeelsinzet, aanwezigheid van partners en doelgroep …). Ter inspiratie geven we bij elke werkpiste enkele verbeteracties mee. Nb. niet iedere verbeteractie vraagt om een grote investering van tijd, personeel en middelen. De zes pistes zijn: informatie en kennis, automatische rechtentoekenning, outreachend handelen, kwalitatieve hulp- en dienstverlening, geïntegreerde basisvoorziening en informele (zorg)netwerken.


Informatie en kennis

Een belangrijk onderdeel van proactief handelen blijft het proactief informeren van burgers omtrent hun sociale grondrechten en het aanbod aan maatschappelijke dienstverlening waar ze terecht kunnen. Het ondersteunen en verder uitbouwen van de Rechtenverkenner en de recent gelanceerde Interbestuurlijke producten- en dienstencatalogus vormden daartoe de twee voornaamste initiatieven. Sensibilisering en vorming omtrent het gebruik van de Rechtenverkenner, maar ook van andere instrumenten (IPDC, rechtencirkel …) kan een betere en correctere benutting ervan op het lokale terrein stimuleren.

Hier zou je kunnen denken aan een verbeteractie als het geven van vorming over armoede in scholen en jeugdverenigingen (preventief tewerk gaan). Een ander voorbeeld van zo’n actie is het ‘informeren en sensibiliseren van doorverwijzers’: brede bekendmaking van de dienstverlening bij een breed publiek alsmede bij doorverwijzers (tandartsen, thuiszorg, huisartsen, leerkrachten ...). Daarnaast is het een goed idee om (permanent) in te zetten op de vorming van medewerkers met het oog op leefwereldperspectief ten aanzien van mensen in kwetsbare posities.


Automatische rechtentoekenning

Als meest verstrekkende vorm van proactief handelen blijft automatische rechtentoekenning een cruciaal onderdeel in de strijd tegen onderbescherming. Op lokaal niveau kunnen wat betreft het automatiseren van rechten ook stappen gezet worden. Denk bijvoorbeeld aan een mogelijke ingreep als het screenen van bestaande dossiers op een specifiek recht, bijvoorbeeld het recht op de verhoogde tegemoetkoming, Vrijetijdspas ... In Gent kent het OCMW de schoolpremie automatisch toe.


Outreachend handelen

Outreachend werkers bewegen zich tussen de wereld van instanties enerzijds en de leefwereld van kwetsbare burgers anderzijds. Actief opzoek gaan naar kwetsbare en potentiële rechthebbenden is voor veel organisaties een uitdaging. Desalniettemin is outreachend handelen  noodzakelijk om op zoek te gaan naar de meest kwetsbare groepen in de samenleving, die op dit moment nog niet bereikt worden. Deze methodiek dient dan ook verder gestimuleerd en verspreid te worden binnen organisaties of netwerken van organisaties, met daaraan gekoppeld de nodige ondersteuning om hiermee aan de slag te gaan.

Een voorbeeld van outreachend handelen is dat het eerste contact met de professionele hulp- of dienstverlening via een huisbezoek wordt gedaan. Ook kun je denken aan het organiseren van zitdagen bij belangrijke toeleiders naar de hulp- en dienstverlening. Bijvoorbeeld een medewerker die outreachend werkt naar kwetsbare gezinnen, met vaste contactmomenten voor ouders op school. Leraren hebben tevens een belangrijke signaalfunctie ten aanzien van kansarmoede en kunnen aan dergelijke werkers signalen doorgeven.


Kwalitatieve hulp- en dienstverlening

Kritisch durven kijken naar de eigen dienstverlening is een belangrijk element van lokaal proactief handelen. De rechtencirkel is een handig instrument om deze kwaliteit in kaart te brengen en te evalueren, om zo de dialoog hierrond te stimuleren. We haalden eerder al aan dat er diverse (universele) drempels naar hulp- en dienstverlening zijn. Deze drempels wegwerken zorgt voor een algemene en voor de doelgroep specifieke verbetering van de kwaliteit van dienstverlening.

Een actie die bijdraagt aan het verhogen van de kwaliteit van dienstverlening is bijvoorbeeld het ontwikkelen van een procedure voor het onthaal, waardoor mensen zich direct op hun gemak voelen onder andere door hun privacy te waarborgen. Ook kan er ingezet worden op een doordacht nazorgbeleid, zoals de OCMW’s van Roeselare en Lokeren hebben gedaan. Het wordt door ex-cliënten zeer gewaardeerd indien er na zes maanden nog eens telefonisch contact met hen wordt opgenomen met de vraag hoe het nu gaat. Vooral mensen die uit budgetbegeleiding gaan hebben nood aan nazorg.


Geïntegreerde basisvoorziening

Het blijft cruciaal om in te zetten op buurtwerkingen en laagdrempelige initiatieven waar mensen elkaar kunnen ontmoeten, hun informele netwerk kunnen versterken en indien nodig in contact kunnen komen met het professionele zorgnetwerk. Een geïntegreerde basisvoorziening, volgens de basisschakelmethodiek, heeft verschillende functies: ontmoeting, vrije tijd, leerkansen en vorming op maat, en informatie en belangenbehartiging. Samenlevingsopbouw faciliteert veel lokale basiswerkingen, bijvoorbeeld in de pilootgemeenten Overpelt en Roeselare.


Informale (zorg)netwerken

Proactieve dienstverlening mag zich niet beperken tot professionele hulpverlening. Naast een toegankelijke en kwalitatieve hulp- en dienstverlening is er ook nood aan het uitbouwen en versterken van informele netwerken voor mensen die de brug naar andere (professionele) organisaties kunnen slaan. Dit is echter geen pleidooi voor deprofessionalisering. De uitbouw van een professioneel en een informeel netwerk is een én-én-verhaal waarin beide elkaar aanvullen en wederzijds versterken, maar waarbij de verantwoordelijkheid in het professionele circuit dient te blijven.

Voor veel senioren zijn familieleden het aanspreekpunt. Voor deze doelgroep kan een verbeteractie inhouden dat men de externe communicatie mede richt op familieleden die de zaken waarnemen voor hun (groot)ouders.


Aan de slag met het draaiboek

Het draaiboek ‘Lokaal proactief kader’ maakt het hierboven beschreven beleidskader van het Steunpunt WVG lokaal toepasbaar. We reiken een document aan met concrete voorbeelden uit de praktijk en als het project enigszins vastloopt, helpen verschillende experten je uit de brand.

Het draaiboek hoeft niet volgens een vast stramien doorlopen te worden. Het kan zijn dat er al veranderingsprocessen in de organisatie gaande zijn, waar een proactieve aanpak op kan inhaken. Dat kan een heel concrete opportuniteit zijn. Zo kan de verbouwing van het onthaal een uitgelezen mogelijkheid zijn om de gebruikers ervan bij de plannen en uitvoering te betrekken. Wel biedt het draaiboek inspiratie en een leidraad voor lokaal proactief handelen.

In het draaiboek worden een aantal belangrijke projectfasen beschreven: stuurgroep, analyse en dialoog. We doorlopen deze fasen beknopt en verwijzen u graag naar het draaiboek voor meer informatie.


Stuurgroep

Ieder project over lokaal proactief handelen begint met de opstart van een lokale stuurgroep. In de stuurgroep zijn minimaal het OCMW en de mensen van de basiswerkingen vertegenwoordigd. Uiteraard is het aan te bevelen de stuurgroep uit te breiden met strategische partners. Aan de kant van de doelgroep kan dat gaan om: een buurtwerking, een armenvereniging, het straathoekwerk, een inloopcentrum of opbouwwerk. Aan de kant van de hulp- en dienstverleners denken we onder andere aan CAW’s, vakbonden en mutualiteiten. Kijk niet te eng, er zijn veel hulp- en dienstverleners die daar een rol in te spelen hebben.

Het OCMW heeft de wettelijke opdracht om iedereen een leven te garanderen in menselijke waardigheid.  Het engagement van het OCMW is dan ook onontbeerlijk in alle fases van het project. Bij het OCMW worden uit alle geledingen van de organisatie medewerkers betrokken, dus zowel beleidsmakers als maatschappelijk werkers.

Daarnaast is het een must om ook andere hulp- en dienstverleners te betrekken, want het wegwerken van onderbescherming is een zaak van gedeelde verantwoordelijkheid. Concreet gaat het hier over de VDAB, de maatschappij voor sociaal wonen, ziekenfondsen, vakbonden, hulpkassen, CAW’s … Deze potentiële partners kunnen betrokken worden bij het hele project of tijdens een specifieke fase. Niet alle partners moeten in het begin betrokken worden. In de loop van het project, afhankelijk van de gemaakte analyses en geformuleerde verbeteracties, kunnen er nieuwe hulp- en dienstverleners worden aangeduid.

Er kan ten allen tijde beslist worden om de stuurgroep uit te breiden. Na het opmaken van de doelgroepenmatrix of bij het formuleren van verbeteracties kan het opportuun zijn om een nieuwe partner in de stuurgroep te betrekken. Om organisaties te betrekken bij het project is het echter niet noodzakelijk dat ze deelnemen aan de stuurgroep. Belangrijker is dat er een bepaald engagement wordt genomen.

In de stuurgroep worden de rollen en verantwoordelijkheden afgesproken. De trekker van de stuurgroep vormt de spil van het project: hij/zij is de verbindende factor voor het OCMW, de doelgroep en tal van andere partners. Hou tot slot bij de samenstelling van de stuurgroep ook de werkbaarheid in de gaten. Een te grote, te uitgebreide stuurgroep is vaak niet meer werkbaar.

De nieuw samengestelde stuurgroep krijgt direct een aantal taken gepresenteerd. Zo maken de leden een korte inschatting van de problematiek van onderbescherming in de gemeente. Vervolgens is een belangrijke stap het bepalen welke doelgroepen er worden betrokken. Bedoeling is om maatschappelijk kwetsbare groepen te ondersteunen, zodat ze hun relevante kennis en ervaringen kunnen inbrengen in de dialoog en hun belangen kunnen behartigen.

Met een samengestelde stuurgroep, een goed zicht op de te betrekken groepen, partners, hulp- en dienstverleners en een inschatting van de problematiek, kan de projectplanning worden opgemaakt aan de hand van het draaiboek.


Analyse

Indien de opgemaakte planning door ieder lid van de stuurgroep haalbaar wordt geacht, vangt de tweede projectfase aan, namelijk de analyse aan de hand van de rechtencirkel. Aan de hand van de rechtencirkel analyseren we hoe proactief het aanbod van maatschappelijke dienstverlening is in de gemeente. Deze analyse gebeurt voor zowel de doelgroep als de hulp- en dienstverleners. De rechtencirkel behelst de negen domeinen van de hulpverlening. Door de bril van de dienstverlener bekeken zijn dat: preventie, opsporen, benaderen, toeleiding, toegang, onthaal, rechtendetectie, rechten realiseren en nazorg.

Over elk van deze domeinen kunnen gericht vragen gesteld worden. Met betrekking tot ‘toegang’ kun je aan iemand van de doelgroep vragen: ‘Welke drempels heb je ervaren om naar het OCMW te gaan? Wat maakte het moeilijk om er aan te kloppen?’. Wat betreft ‘nazorg’ kun je onder andere de vraag stellen: ‘Vind je het belangrijk dat de maatschappelijk assistent, nadat je problemen zijn opgelost of nadat je bent doorverwezen naar een andere dienst, af en toe contact opneemt om te polsen hoe het gaat?’. We stellen vragenlijsten ter beschikking, die je kunt vinden in het draaiboek. Het uitgewerkte instrument is gericht op het werken met groepen. Uiteraard kan men ook een individueel gesprek aangaan met rechthebbenden over hoe zij de dienstverlening ervaren.

Het is belangrijk om het participatieve proces professioneel te begeleiden. In het draaiboek geven we tips over hoe dat best wordt aangepakt.


Dialoog

Indien een significant aantal medewerkers en mensen van de doelgroep bevraagd zijn belanden we bij de derde fase van het project. Op basis van de resultaten van de bevragingen bij de diverse actoren gaan de doelgroep, het OCMW en andere hulp- en dienstverleners met elkaar in gesprek om stappen vooruit te zetten. Deze verschillende dialoogmomenten vragen om een goede voorbereiding. Alle informatie over de voorbereiding en effectieve begeleiding van dialoogmomenten lees je in het draaiboek.

Het is van groot belang dat de doelgroep bij iedere fase van het project intensief wordt betrokken. Met andere woorden, dat hen voldoende participatiekansen worden geboden. Bijvoorbeeld ook bij de fase van de uitvoering van verbeteracties, de terugkoppeling over de stand van zaken van die uitvoering en de evaluatie ervan.  

We willen benadrukken dat proactief handelen niet beperkt mag blijven tot verbeteracties, we streven naar een structurele verankering van het lokaal proactief kader. Daar geef je zelf vorm aan, samen met diegenen waarvoor het recht op maatschappelijke dienstverlening niet gerealiseerd wordt.


Tot slot

Lokaal proactief handelen vraagt om een heel andere manier van kijken naar de eigen dienstverlening. Iedereen in onze samenleving heeft de taak om onderbescherming uit te bannen, hulp- en dienstverleners in het bijzonder. We willen graag benadrukken dat proactief handelen op het eerste gezicht misschien om grote inspanningen vraagt, ook financieel. Maar uit de praktijken van de 19 pilootgemeenten blijkt dat de kostenbesparing op termijn niet onderschat mag worden.

Diverse pilootgemeenten hebben bij aanvang van het project geworsteld met zeer ambitieuze ideeën, om tot de conclusie te komen dat de financiële middelen om die ideeën te realiseren ontbraken. Dat leidde soms tot ontgoocheling: wat kunnen we dan wél doen? Niet iedere hulp- en dienstverleningsorganisatie heeft bijvoorbeeld de middelen om een vormingswerker in dienst te nemen of een nieuwe website te maken. Maar dat hoeft niet altijd het succes van een project neer te slaan, wel integendeel.

In Kortrijk geeft men aan dat de lokale overheid en het OCMW veel meer inspanningen zouden kunnen doen om ‘de sociale kaart te maken’ en alle relevante actoren samen te brengen. Zij kunnen zo elkaars aanbod beter leren kennen, leren hoe ze efficiënter naar elkaar kunnen doorverwijzen en nauwer gaan samenwerken. Het faciliteren van drie tot vier van dergelijke bijeenkomsten is nagenoeg kosteloos.

In Boom geeft men infosessies aan alle nieuwe cliënten van het OCMW. Tijdens zo’n sessie krijgen zij informatie over alle rechten en plichten die het OCMW hen kan bieden. Dit is een kostenbesparende activiteit, want tijdens individuele afspraken met maatschappelijk werkers hoeft er minder uitleg gegeven te worden.

Investeren in lokaal proactief handelen is onvermijdelijk, maar de return on invest voor mensen in kwetsbare posities en de samenleving in zijn geheel is ontegenzeggelijk zeer groot.


Terug naar het artikeloverzicht