Wanneer politici en andere beleidsmakers over stadsvernieuwing spreken, lijkt het alsof het louter om een technische kwestie gaat. Maar niets is minder waar. Professor stadssociologie Stijn Oosterlynck legt uit.

Ons gesprek begint met de vraag waarom de stad in de hoofden van velen gelijk staat met armoede. Oosterlynck geeft hier historische duiding bij. Vervolgens legt hij uit waarom politici bij stadsvernieuwing meestal teruggrijpen naar een recept van sociale mix. De wetenschap stelt echter belangrijke vragen bij de efficiëntie van deze beleidskeuze. Oosterlynck gelooft meer in een aanpak van sociale stijging. Dit mag niet beperkt blijven tot een aantal individuen, die zich in een achterstandswijk opwerken. Sociaal opwaartse mobiliteit moet een collectief verhaal zijn, zelfs als dat tot politieke spanningen leidt. Ook het maatschappelijk middenveld heeft daar een rol in te spelen.

Segregatie 1


De stad, synoniem voor armoede en uitsluiting?

Wereldwijd, maar zeker ook in Vlaanderen, staat de stad gelijk met armoede en sociale uitsluiting. Als we Oosterlynck vragen waar die hardnekkige associatie vandaan komt, gaat hij terug naar de periode na de Tweede Wereldoorlog. 'Het is een tijd waarin de welvaart toeneemt. Door de stijgende lonen, de betere arbeidsvoorwaarden en de uitbouw van de welvaartstaat profiteren ook steeds meer mensen hiervan. Op dat ogenblik zie je dat bepaalde delen van de bevolking ervoor kiezen om de stad te ontvluchten en suburbaan te gaan wonen. Opvallend is dat dit bijna in klassengolven gebeurt. Eerst zie je de rijkste groepen van Gent naar Mariakerke trekken, of van Antwerpen naar Hove. Daarna volgt de betere middenklasse tot en met delen van de arbeidersklasse. Het huisvestingsbeleid van de overheid werkt dit natuurlijk mee in de hand. Dat wilde er met financiële ondersteuning voor zorgen dat mensen een eigen woonst zouden verwerven. Die woning werd dan meestal nieuw gebouwd in de groene stadsrand.'

Door deze scheeftrekking bleef er in de stad een hoge concentratie van mensen in armoede achter. 'Maar dat niet alleen', weet Oosterlynck. 'De stadsvlucht zorgde ervoor dat er in de steden behoorlijk wat woningen vrij kwamen. Die plaatsen werden voornamelijk opgevuld door nieuwkomers. Deze gastarbeiders waren in hun eigen perceptie misschien niet arm, maar als je ze op de Belgische inkomensongelijkheidsschaal zette, stonden ze weldegelijk onderaan de sociale ladder. Door al deze evoluties zijn de steden eind jaren '70 de facto verarmd.'

Gek genoeg was dit op dat ogenblik geen politiek thema. Het beleid had amper aandacht voor stedelijke problemen. 'Zo vreemd is dat nu ook weer niet', weet Oosterlynck. 'Ook al geldt het principe van 'één man één stem', toch zijn maatschappelijk kwetsbare groepen voor politici niet altijd het meest interessante kiespubliek. Dat veranderde echter wanneer midden jaren 80 de stedelijke, blanke arbeidersklasse zich electoraal roerde, en extreemrechts aan een opmars begon. Op die manier werden de verarming van de stad en de problematiek van de interculturele verhoudingen politiek zichtbaar. De zwarte zondagen volgden elkaar op en het zittend beleid besefte dat het aandacht moest hebben voor wat er zich in de steden afspeelde. Dat gebeurde dan ook, onder andere via de oprichting van het sociaal impulsfonds (SIF), maar paradoxaal genoeg leed het imago van de stad hier nog meer onder. Dat kwam omdat besturen de armoede in hun stad nog meer onder de aandacht begonnen te brengen. Initiatieven als het SIF werkten immers zo dat hoe meer je deze problemen kon aantonen, hoe meer middelen je kreeg.'


Sociale mix

Doordat de verarming van de steden politiek eindelijk geproblematiseerd werd, moesten beleidsmakers ermee aan de slag. Op dit ogenblik lijkt er, als het over stadsvernieuwing gaat, van links tot rechts een brede consensus te bestaan over het belang een goede sociale mix. Als we Oosterlynck vragen of hij dat geloof deelt, maakt hij een onderscheid tussen het niveau van de stad en het niveau van de wijken. 'Ik begrijp dat politici in de huidige context waarin de stadsinkomsten in belangrijke mate afhankelijk zijn van de belastinginkomsten van de bewoners, verontrust zijn over de verdwijning van de rijkere en middengroepen uit de stad. Het is dan ook volstrekt legitiem dat het beleid gaat investeren om deze menen terug naar de stad te lokken. Het alternatief is om de hogere overheden te dwingen om meer in de steden te investeren. Maart lijkt mij in de huidige Vlaamse politieke constellatie niet echt realistisch.'

Oosterlynck blijkt zich echter meer vragen te stellen bij de politieke ambitie om wijken ook te mengen. 'Om te beginnen zijn de meeste wijken in de Belgische steden al behoorlijk gemixt. Dat heeft te maken met het feit dat, in de steden althans, de meeste buurten organisch tot stand gekomen zijn. In suburbane gebieden heb je wijken die door projectontwikkelaars in een keer neergepoot zijn met een welbepaald socio-economisch doelpubliek voor ogen, maar dat is in de steden amper het geval. Het huizenarsenaal is er erg divers waardoor je ook een grote diversiteit onder de bewoners hebt. Ik vind het dan ook compleet misplaatst dat sommigen in de Belgische situatie over getto's spreken. Migrantenbuurten in ons land zijn intern erg divers. Zelfs die plaatsen waarvan je kunt zeggen, dit is typisch Marokkaans of Turks, behelzen in werkelijkheid amper een paar straten waar die groepen mensen vooral meer zichtbaar zijn in de publieke ruimte. Vanuit etnisch-cultureel oogpunt, maar ook vanuit klassendiversiteit zit het met de sociale mix in onze steden wel goed.'

'Bovendien is het wetenschappelijk niet bewezen dat een beleid dat voor sociale mix kiest, veel oplevert op het vlak van de socio-economische emancipatie van maatschappelijk kwetsbare groepen. Let wel, ik heb er helemaal niets tegen dat er op het vlak van stadsvernieuwing geld gestoken wordt in parken of andere openbare voorzieningen. Maar zulke investeringen hebben niets met sociale mix te maken. Iedereen heeft daar recht op, zowel de middenklasse als mensen in een maatschappelijk kwetsbare positie. Trouwens als je echt een sociale mix wil nastreven, moet je dat over heel Vlaanderen doen, te beginnen met de rijke, blanke enclaves als bijvoorbeeld Brasschaat of Sint-Genesius-Rode. Maar dat gebeurt natuurlijk niet. De ondertoon van heel het sociale mixdiscours heeft dan ook veel weg van la classe dangereuse, de vrees van de middenklasse voor oncontroleerbare gebieden waar andere bevolkingsgroepen met gevaarlijke zaken bezig zijn.'

Segregatie 2


Sociale stijging

Hoewel het discours over sociale mix nog steeds erg dominant is, is er weinig wetenschappelijke basis om de efficiëntie van deze aanpak te onderbouwen. Oosterlynck pleit dan ook voor een andere manier van werken. 'Op de eerste plaats moet je de welvaartstaat behouden en uitbouwen. Je moet ervoor zorgen dat er minder sociale ongelijkheid is, want ongelijkheid is de grondstof van segregatie. Daar zorgt de huisvestingsmarkt voor. Mensen met minder geld kunnen zich enkel een minder goede woning in een minder aangename buurt veroorloven. Op die manier zullen de mensen van één socio-economische groep bij elkaar in de buurt wonen en de verschillende groepen van elkaar gescheiden. De meest efficiënte manier om segregatie tegen te gaan is dus de sociale ongelijkheid bestrijden. Daarom moet je een sociaal stijgingsbeleid voeren voor achterstandswijken.'

Oosterlynck knikt als we vragen of dat een synoniem voor sociaal opwaartse mobiliteit is. Dit beleidsconcept raakte vooral bekend door een advies van de Nederlandse VROM Raad uit 2006. 'Belangrijk bij deze kijk is dat je sociaaleconomische segregatie wel problematiseert, maar ruimtelijke segregatie niet. Dat laatste is gewoon een gegeven. In alle steden ter wereld wonen mensen met een laag inkomen of nieuwkomers bij elkaar. Daar hebben ze ook goede redenen toe. Vaak bestaat er in die wijken een infrastructuur van bijvoorbeeld goedkope winkels, mensen hebben er ook hun netwerk, en doordat er minder middenklassers wonen, voelen ze zich er minder bekeken en moeten ze zich ook niet voor hun situatie schamen.'

'Wat je dus moet doen is ervoor zorgen dat deze ruimtelijke segregatie geen aanleiding geeft tot sociale segregatie. Ook als je in zulke wijken woont, heb je recht op kwaliteitsvol onderwijs, goede huisvesting ... Maar dat komt niet vanzelf. Dat is een politieke keuze. Het beleid moet net in die buurten heel actief aanwezig zijn en zwaar investeren in publieke dienstverlening zodat de bewoners daar de instrumenten in handen krijgen om zich sociaaleconomisch te integreren. In feite biedt ruimtelijke segregatie de politiek de kans om maatschappelijk kwetsbare groepen op een heel efficiënte manier te emanciperen.


Ook een collectieve dimensie

Hoewel Oosterlynck sterk in het verhaal van sociale stijging gelooft, heeft hij belangrijke kritiek op de individuele invulling van het concept zoals de VROM Raad die formuleert. 'Sociale mobiliteit bevorderen is niet hetzelfde als armoede en sociale ongelijkheid bestrijden. De VROM Raad stelt in zijn advies zelfs dat voorzieningen met een 'armoedebestrijdingsstempel' niet al te zeer in een bepaalde wijk geconcentreerd mogen worden. Dat zou de reputatie van een wijk aantasten. Bovendien draagt een individualistische benadering van sociale mobiliteit een risico met zich mee. De kans bestaat dat er opnieuw een stigmatiserend onderscheid ontstaat tussen de arme die zich via een goede huisvesting en kwaliteitsvol onderwijs heeft weten op te werken, en de slechte arme die zijn kans niet gegrepen heeft en daar niet in geslaagd is. Nu, op zich is er niets verkeerd met die individuele benadering. Door ons onderwijssysteem hebben de voorbije decennia zeer veel mensen zich kunnen verbeteren. Maar dat is maar één kant van het verhaal. Als je naar de emancipatie van de Vlaamse arbeidersklasse kijkt, dan kan je niet om de collectieve dimensie heen.

'Terwijl de overheid haar verantwoordelijkheid moet nemen door te investeren in onderwijs, werkgelegenheid en andere publieke voorzieningen, ziet Oosterlynck een rol weggelegd voor de sociale sector en het maatschappelijk middenveld als het over die collectieve dimensie gaat. 'Net zoals de vakbonden en mutualiteiten essentieel zijn voor emancipatie van de Belgische arbeidersklasse, moeten ze samen met andere middenveldorganisaties diezelfde rol opnemen voor de emancipatie van nieuwe maatschappelijk kwetsbare groepen. Naast de vakverenigingen denk ik daarbij onder andere aan samenlevingsopbouw. Zij hebben de ervaring om groepen in zelforganisaties bijeen te brengen.'


Sociale strijd

Oosterlynck waarschuwt dat de collectieve dimensie van de emancipatie van nieuwe maatschappelijk kwetsbare groepen niet van een leien dakje zal lopen. Hij verwijst daarvoor naar de strijd van de arbeiders aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw, maar ook naar de situatie van de Arabisch Europese Liga (AEL) amper tien jaar geleden. 'Je kunt van Dyab Abou Jahjah en de zijnen veel zeggen, maar hun eis was wel om sociaaleconomisch volwaardig te kunnen meedoen aan de samenleving. Dat werd als erg bedreigend ervaren en op een enorm brutale manier de kop in gedrukt. Ondertussen zijn de meeste beleidsverantwoordelijken er wel van overtuigd dat de manier waarop er met die groep omgegaan is, democratisch onaanvaardbaar was, maar het kwaad is wel geschied. Men heeft de openingen voor een collectieve emancipatie dichtgesmeten waardoor de frustraties zijn blijven etteren. Het gevolg is dat we nu met achterlijke organisaties als Sharia4Belgium geconfronteerd worden waar geen enkele progressieve dimensie in te bespeuren valt. Dat had niet gehoeven. Het is niet omdat je in wijken een concentratie mensen uit het Midden-Oosten hebt, dat je automatisch een Sharia4Belgium krijgt. Maar als je alle mogelijkheden voor individuele en collectieve stijging laat passeren, moet je natuurlijk niet verschieten dat je problemen krijgt.

Het lijkt er in het huidige debat nochtans niet op alsof er uit de aanpak van de AEL veel geleerd is? Kan je vermijden om zulke fouten opnieuw te maken. Oosterlynck lijkt pessimistisch. 'Je moet zelforganisaties ondersteunen en hen vooral de ruimte laten om hun ongemakkelijke waarheden te verkondigen. Maar aangezien het in wezen om een machtsstrijd gaat, zal er altijd een element van sociale strijd aan te pas komen. Dat was bij de opkomst van de arbeidersbeweging ook zo. Die eiste haar deel van de koek op en uiteindelijk leidde dat na decennia van sociale strijd tot een serieuze machtsverschuiving in onze samenleving.'

Segregatie 3


Macht

We brengen het gesprek opnieuw naar het niveau van de buurten en wijken door te vragen hoe een overheid daar op een sociale manier aan leefbaarheid kan werken.  Maar voordat hij hier op in gaat, wijst Oosterlynck er ons op dat hier ook een belangrijke machtsfactor speelt. 'Leefbaarheid is een heel moeilijk begrip dat je eigenlijk niet los kan zien van de persoon die het in de mond neemt. Het is namelijk geen wetenschappelijk concept, maar een beleidsterm. Je mag daarbij nooit vergeten dat beleid altijd op een sociale basis steunt, op een publiek waarvoor het uitgevoerd wordt. Dat is nooit gans de bevolking. Dat kan ook niet. Daarvoor zijn de onderlinge onenigheden en belangen te divers.'

'Met leefbaarheid zie je dat heel sterk. De invulling die beleidsmakers en politici er meestal aan geven, is gestoeld op het blanke middenklassenperspectief. Concreet betekent werken aan leefbaarheid daarom bijvoorbeeld vaak: ervoor zorgen dat er op pleintjes geen rondhanggedrag is van jonge mensen. Nu wil ik het onveiligheidsgevoel van veelal oudere autochtonen niet minimaliseren. Dat is een element waar rekening mee gehouden moet worden, maar je moet wel de belangen van beide kanten in acht nemen. Voor jonge mensen is rondhangen op pleintjes een manier om zich te tonen en deel te nemen aan de publieke ruimte. Daar hebben zij ook recht op.'


De rol van het middenveld

Moeten we het concept dan zomaar aan de kant schuiven? 'Niet noodzakelijk', vindt Oosterlynck, 'maar je moet goed weten hoe je het definieert. Samenlevingsopbouw, bijvoorbeeld, zal dat steeds doen vanuit de belangen van maatschappelijk kwetsbare groepen. Maar in een buurt waar Samenlevingsopbouw aan de slag gaat, wonen niet alleen maatschappelijk kwetsbare groepen. Daarom zal je op het niveau van die wijken steeds met andere groepen in gesprek moeten gaan. Dat zal niet altijd gemakkelijk zijn en vaak de nodige discussie en sociale strijd vergen.'

'Een goed vertrekpunt is volgens mij het idee dat al deze verschillende groepen niks gemeenschappelijk hebben, behalve de wijk waar ze allemaal wonen. Wat moet er dan gebeuren om dat tot een leefbare plaats voor iedereen te maken? Daarbij is het belangrijk dat er afstand genomen wordt van zogenaamde autochtone claims als "wij waren hier eerst dus wij bepalen hoe het moet zijn". Ik begrijp dat gevoel, maar in sommige wijken van de stad zijn zulke argumenten gewoonweg niet houdbaar. Trouwens de sociologische term is wel "autochtone claims", maar het gaat daarbij lang niet altijd over autochtonen, maar bijvoorbeeld ook over aanspraken van Turkse groepen ten opzichten van Oost-Europeanen.'

Volgens Oosterlynck is de overheid misschien niet de beste actor om die discussie te starten. 'Een overheid beweert wel neutraal te zijn, maar is dat in feite niet. Ze komt in de wijken namelijk altijd tussen op basis van een eigen visie, die steunt op haar electoraat en sociale basis. Daarom denk ik dat het de rol van het maatschappelijk middenveld is om de machtsverhoudingen in een wijk tijdelijk op te schorten en op die manier het gesprek aan te gaan. Natuurlijk moeten die middenveldorganisaties, die vaak door de overheid gesubsidieerd worden, daar wel de nodige autonomie voor hebben.'

 

Terug naar het artikeloverzicht