Een grote groep mensen die recht hebben op steun ontvangen die niet. Er blijken heel wat hindernissen te zijn om het recht op een uitkering, werk of hulpverlening te realiseren. Mensen weten niet waar ze terecht kunnen, ze krijgen te weinig hulp, de verschafte informatie is niet duidelijk. De voorbije jaren plaatste Samenlevingsopbouw onderbescherming en de aanpak ervan op de agenda.

Het ‘lokaal proactief kader’ kreeg vorm: een handelings- en beleidskader om onderbescherming lokaal aan te pakken. Wat houdt zo’n lokaal proactief kader nu in en wat betekent dat in de praktijk? We kijken hoe in Ronse en Lokeren informele netwerken uitgewerkt werden en wat ons dat leert over het voorkomen van onderbescherming.

Foto 3

Proactieve dienstverlening

De paraplu van onze sociale bescherming is lek. Ongeveer vijf procent van de bevolking leeft in een situatie van onderbescherming. Dat betekent dat ze minimaal een maand onder de drempel van het leefloon leven. Dat zijn duizenden burgers die hun rechten op dienst- en hulpverlening van het OCMW niet benutten, laat staan dat ze hun sociale grondrechten realiseren. Om verscheidene redenen maken mensen geen aanspraak op hun rechten: de complexiteit van de regelgeving, een gebrek aan laagdrempelige initiatieven, angst voor voorwaardelijke en sanctionerende hulpverlening, koel en afstandelijk onthaal of eerdere negatieve ervaringen met hulp- en dienstverlening (Steenssens e.a., 2007). Een meer proactieve dienstverlening, waarbij de dienstverlener of de overheid zelf het initiatief neemt, zou hierop een antwoord kunnen bieden.

Om onderbescherming ten gronde aan te pakken is zowel een lokale als bovenlokale aanpak vereist. Een proactieve dienstverlening blijft een druppel op een hete plaat wanneer ze niet ingebed is binnen een solidaire en herverdelende samenleving. Het hoeft geen uitleg dat een probleem van thuisloosheid moeilijk duurzaam oplosbaar is binnen een context van wachtlijsten voor sociale woningen en een krimpende private huurmarkt. Een leefloon dat onder de armoedegrens ligt, ontneemt een belangrijk instrument aan OCMW en rechthebbende om te komen tot een volwaardige maatschappelijke integratie. De vraag aan de Vlaamse en Federale overheid om zoveel mogelijk rechten automatisch toe te kennen, is essentieel. Lokaal en bovenlokaal proactief handelen zijn onlosmakelijk verbonden.Het lokaal proactief kader is een beleids- en handelingskader.

Lokaal proactief handelen betekent: inzetten op outreachend handelen, automatische rechtentoekenning, de uitbouw van geïntegreerde basisvoorzieningen, kwaliteitsvolle dienstverlening, toegang tot beschikbare informatie verhogen. Het is een samenhangend geheel van maatregelen dat de onderbescherming lokaal aanpakt. Dit kader is gebaseerd op praktijken die Samenlevingsopbouw ontwikkelt in 24 steden en gemeentes, in samenwerking met OCMW’s, CAW’s , Verenigingen Waar Armen het Woord Nemen, Uit De Marge, Verenging voor Steden en Gemeenten, de Vereniging Vlaams Provincies, maatschappelijk kwetsbare groepen, onderzoeksinstituut HIVA KU Leuven en het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.


Foto 4

Informele netwerken

Binnen het lokaal proactief handelen vormen ‘informele netwerken’ één van de werkpistes die onderbescherming voorkomen. Lokale proactieve dienstverlening beperkt zich niet tot professionele hulpverlening. Ook informele netwerken kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de uitbouw van een proactieve dienstverlening. Naast een toegankelijke en kwalitatieve hulp- en dienstverlening is er ook nood aan het uitbouwen en versterken van informele netwerken rondom mensen die de brug naar andere organisaties kunnen slaan. De uitbouw van een professioneel en een informeel netwerk is een én-én-verhaal waarin beide elkaar aanvullen en wederzijds versterken, maar waarbij de verantwoordelijkheid in het professionele circuit dient te blijven (Eeman & Steenssens, 2013). Maar hoe pak je dat nu aan?

Met de projecten ‘proactief kinderrechten garanderen’ in Lokeren en ‘buurtgericht kansarmoede overbruggen’ in Ronse, zet Samenlevingsopbouw in op het bereiken en toeleiden van kwetsbare gezinnen met jonge kinderen naar maatschappelijke dienstverlening. Tegelijkertijd worden hiaten in het dienstverleningsaanbod in kaart gebracht. Dit zijn twee praktijken van informele netwerken in een stedelijke en diverse context. In Lokeren staat het uitbouwen van een sterk netwerk van vrijwilligers uit diverse gemeenschappen centraal. Deze vrijwilligers zoeken contact met maatschappelijk kwetsbare gezinnen en hun kinderen.

In Ronse zijn drie halftijdse wijkbrugfiguren actief. Zij trachten het isolement waarin kansarme gezinnen met jonge kinderen leven te doorbreken. De wijkbrugfiguren gaan bij de gezinnen aan huis, maken afspraken en slaan een brug tussen de gezinnen, diensten en organisaties. Beide projecten zijn geënt op geïntegreerde basisvoorzieningen en zetten in op het bereiken van maatschappelijk kwetsbare gezinnen met jonge kinderen in een diverse en stedelijke context. Samenlevingsopbouw zet samen met haar partners stappen om de drempels van en naar het bestaande dienstverleningsaanbod weg te werken: het Sociaal huis, het CAW, Kind en Gezin, Vereniging Waar Armen het Woord Nemen, het buurtwerk en onderwijsopbouwwerk. Hieronder beschrijven we de methodiek die hierbij gehanteerd wordt.


Foto 6

Ervaringsdeskundige toeleiders

De basis van deze projecten ligt bij ervaringsdeskundige toeleiders. De drempel naar het hulp- en dienstverleningsaanbod is vaak hoog. Het is dan ook noodzakelijk om met kennis van zaken en vanuit eigen ervaring mensen de juiste weg te wijzen. De inzet van deze ervaringsdeskundigen is sterk omdat zij de gezinnen in hun leefwereld als gelijke kunnen benaderen. Als ervaringsdeskundige kunnen ze op laagdrempelige wijze deuren openen bij gezinnen die nog niet bereikt worden en hen met de nodige zorg toeleiden naar diensten en organisaties. De ervaring van deze ervaringsdeskundigen kan zowel betrekking hebben op gelijke armoede-ervaring als gelijke culturele ervaringen.

In Lokeren werd er een netwerk van ervaringsdeskundige toeleiders opgebouwd. Dit netwerk bestaat uit vrijwilligers en een opbouwwerker. De opbouwwerker betrekt een zo divers mogelijke groep vrijwilligers die geselecteerd worden op basis van hun sociale betrokkenheid, luisterbereidheid, hulpvaardigheid en discretie. Er worden maandelijkse intervisiebijeenkomsten georganiseerd met de vrijwilligers. Tijdens deze bijeenkomsten delen ze hun contacten en ervaringen, krijgen ze vorming en worden ze inhoudelijk en methodisch ondersteund. Want de problemen waar deze vrijwilligers mee geconfronteerd worden zijn complex. De intervisie zorgt voor een luisterend oor waardoor de vrijwilligers hun engagement volhouden. OCMW, CAW en Kind & Gezin adviseren de vrijwilligers over de beschikbare hulp- en dienstverlening. Teams voor advies en ondersteuning in armoede (TAO) en Reach Out! bieden extra ondersteuning met hun ervaringen en kennis van outreachend werken.

In Ronse worden drie halftijdse wijkbrugfiguren ingezet. De wijkbrugfiguren werden geselecteerd op basis van hun ervaringsdeskundigheid en etnisch-culturele achtergrond. Naast kansarme generatiegezinnen wordt ook aandacht besteed aan de aanpak van armoede bij etnisch-culturele minderheden.


Vindplaatsgericht werken

Deze toeleiders en wijkbrugfiguren werken vindplaatsgericht. Dat betekent dat je werkt op plaatsen waar je moeilijk bereikbare groepen treft. Heel wat mensen worden niet bereikt door de hulp- en dienstverlening. Door deze kwetsbare groep zelf gericht op te zoeken, wordt een actieve toeleiding naar het hulp- en dienstverleningsaanbod mogelijk. In beide projectsteden worden maatschappelijk kwetsbare gezinnen benaderd via verschillende wegen. Deze gezinnen worden gevonden via sleutelfiguren of het laagdrempelige aanbod van een basisvoorziening zoals een buurt- of ontmoetingscentrum. De toeleiders begeven zich ook naar dagelijkse ontmoetingsplaatsen van deze gezinnen zoals de straat, de winkel, de spelotheek, het café of het wassalon. Dat opsporen en benaderen van maatschappelijk kwetsbare gezinnen vraagt tijd en energie, vooral in de opstart van het informeel netwerk.

Na verloop van tijd verloopt dit vlotter en ontstaat er een sneeuwbaleffect. Bij voldoende bekendheid en positieve ervaringen doen meer mensen een beroep op de toeleiders. Ook vrienden en kennissen van de bereikte doelgroep en hulpverleners spreken hen aan. Die actieve toeleiding van maatschappelijk kwetsbare gezinnen naar hulp- en dienstverlening is een proactieve maatregel. Deze gezinnen zijn onderbeschermd: door hen actief toe te leiden naar hulp- en dienstverlening, wordt er meer op toegezien dat zij effectief de rechten krijgen waar zij recht op hebben. Maar ook als mensen de weg naar de hulp- en dienstverlening al gevonden hebben, blijven zij vaak nog onderbeschermd. Niet alle rechten die nodig zijn om menswaardig te leven, worden toegekend. De situatie van de gezinnen is vaak complex met meervoudige problematieken. De hulp- en dienstverlening is voornamelijk fragmentarisch georganiseerd. Een meer integrale aanpak is hiervoor noodzakelijk.


Foto 1

Van A naar B

Een sleutelrol is weggelegd voor de geïntegreerde basisvoorziening: een laagdrempelige lokale ankerplaats waar er een geïntegreerd aanbod is van ontmoeting, vrije tijd, vorming, hulpverlening en belangenbehartiging. Door het laagdrempelig karakter vinden maatschappelijk kwetsbare groepen er makkelijk aansluiting bij het bestaande aanbod en kunnen er vrijblijvend hun verhaal doen. Voor mensen die niet binnen het bestaande aanbod passen, is er de flexibiliteit om nieuwe activiteiten op te starten. Daarnaast benaderen basisvoorzieningen maatschappelijk kwetsbare groepen niet vanuit een fragmentarisch perspectief, maar vanuit een meer globale kijk op de situatie waarin mensen zich bevinden. Deze organisaties beperken zich niet tot het verlenen van hulp op één enkel terrein, maar beschouwen de probleemsituatie van de cliënt in zijn totaliteit. Uit onderzoek blijkt dat vooral die organisaties een sleutelrol vervullen in het verbinden van hulpverleningsorganisaties tot een samenhangend netwerk (Aerts, 2013; Raeymaeckers, 2013). Een meerwaarde die ook wordt gezien binnen de eerstelijnshulpverlening (Bracke, 2013). Het informeel netwerk kan buigen op deze meerwaarde en ze tegelijkertijd versterken.

Gezinnen worden door de toeleider geïnformeerd over de beschikbare hulp- en dienstverlening. Vervolgens nemen gezinnen zelf het initiatief om hiervan gebruik te maken. Wanneer er een duwtje in de rug nodig is of er zich een taalprobleem stelt, gaat de toeleider mee bij het eerste bezoek. Indien nodig bereiden de toeleiders samen met de persoon de toeleiding naar de dienst voor, om de persoon te ondersteunen of om zelf de hulpvraag te stellen aan de dienst. De toeleiders vormen de brug tussen hulpverleners en mensen in kwetsbare situatie. Bij communicatieproblemen verduidelijken de toeleiders aan de hulpverlener wat het gezin wil zeggen en omgekeerd. De toeleiders waken erover dat belangrijke informatie over de context van het gezin voldoende wordt meegeven aan de hulpverlener en bewaken het medezeggenschap van de mensen die ze opvolgen in het hulpverleningsproces.

Wanneer de stap naar dienst- en hulpverlening niet haalbaar of wenselijk is, kan de toeleiding naar het laagdrempelig activiteitenaanbod van de basisvoorziening als een tussenstap ingebouwd worden. Actieve toeleiding betekent ook aandacht voor nazorg. De toeleiders spelen kort op de bal en gaan na of er bijkomende ondersteuning vereist is en of de taken die de gezinnen en hulpverleners op zich nemen, worden opgevolgd. Indien nodig wordt terug contact opgenomen met de dienst. De actieve toeleiding naar de dienst- en hulpverlening brengt de hiaten aan het licht.


Geen taken overnemen

We leerden dat een goede vertrouwensband tussen toeleider en hulpverlener belangrijk is. Het is niet evident om af te lijnen hoe ver de toeleider gaat en wanneer de hulpverlener het overneemt. Belangrijk is dat de toeleiders niet in de plaats treden van de professionele hulpverlening. Maar wat doe je als de professionele hulpverlening geen antwoord biedt? Toeleiders kunnen de vaak complexe situatie van een gezin niet alleen naar een oplossing leiden. Wél zijn zij een partner. Het begeleiden van het gezin in functie van oplossingen laten ze over aan organisaties met expertise zoals OCMW’s, CAW’s of mutualiteiten. De kracht van de toeleiders zit in het feit dat ze het eerste contact leggen en een vertrouwensband opbouwen met gezinnen. Ze hebben oog voor de gehele gezinscontext, hebben geen sanctionerende rol en kunnen onbevooroordeeld naar de gezinnen luisteren.

Die lijn is echter dun. De hulpvrager is in de eerste plaats gebaat bij aanwezigheid, ondersteuning, informatie, een luisterend oor. Een rol die de toeleiders door hun opstelling en autonomere positie met verve vervullen. De ‘aanbodgerichte’ professionele hulpverlening lijkt dit soms niet meer te kunnen. Dit is echter ook een belangrijke functie van dienst- en hulpverlening die niet mag afhangen van informele netwerken.

Naast het bereiken en toeleiden van de doelgroep, inventariseren toeleiders de hoge drempels die onderbescherming veroorzaken. Als sluitstuk is een degelijke signalenbundeling en dialoog met dienst- en hulpverleners en het beleid cruciaal. Elk signaal dat binnenkomt wordt anoniem geïnventariseerd en gecodeerd op sociaal grondrecht, doelgroep en sector. Dit maakt analyse van de resultaten mogelijk als onderbouw van aanbevelingen en dialoog met het beleid.


Foto 5

Terug naar de projecten

In het eerste projectjaar in Ronse bereikten de wijkbrugfiguren 100 gezinnen. In Lokeren bereikten een tiental vrijwilligers in het eerste projectjaar 75 gezinnen. Dit is een mix van vooral langdurige begeleidingen en een aantal korte doorverwijzingen. De vaststellingen die we hieronder beschrijven gebeurden op basis de ervaringen met deze 175 gezinnen.

Toeleiders legden contacten met mensen die tot dan geen gebruik maakten van het bestaande aanbod van hulp- en dienstverlening. Dat kan verschillende redenen hebben. Mensen krijgen onvoldoende ruimte om hun probleem goed te formuleren, ze beschikken over onvolledige informatie, voldoen niet aan bepaalde toegangsvoorwaarden (zoals kennis van het Nederlands) of ze missen praktische basishulp (bijvoorbeeld bij het invullen van documenten).

Toeleiders getuigen daarover: "Bij verschillende gezinnen leefde de frustratie dat ze niet over hun problemen kunnen praten. Ze kunnen bij de mensen in hun omgeving vaak niet of beperkt terecht. Veel gezinnen kampen met een gevoel van onmacht. In eerste instantie was het voor hen moeilijk om iets te ondernemen. Na een tijdje maken ze uiteindelijk toch de klik om hun problemen aan te pakken. Redenen die mensen aanhalen om niet actief op zoek te gaan naar hulp zijn: het probleem zien als een taboe, trots, niemand vertrouwen en schrik voor geroddel.’
‘Drempels die mensen ervaren om gebruik te maken van het bestaande hulp- en dienstverleningsaanbod zijn taal, zich niet begrepen voelen, geen vertrouwen in de diensten, niet alleen durven gaan, niet weten waar naartoe, geen vervoersmogelijkheden, geen kinderopvang, geen adres willen geven, geen brieven kunnen lezen van organisaties, niet telefonisch bereikbaar zijn, zelf geen nood aan hulp ervaren. Het gaat over mensen die volledig afgehaakt zijn: er is een groot wantrouwen, sommigen leven afgezonderd van de maatschappij, hebben geen werk, geen officieel inkomen, mensen wonen met vijftien in hetzelfde huis."


Geen evidente uitweg

Toeleiders leggen contacten met mensen die gevangen zitten in een web van problemen. De uitweg is niet evident en vraagt moeilijke keuzes. In eerste instantie zijn gezinnen gebaat met ondersteuning, informatie, een luisterend oor, aanwezig zijn. De problemen oplossen in de mensen hun plaats biedt weinig soelaas. Mensen moeten de keuze zelf maken en hulp- en dienstverleners moeten die keuzes respecteren. Een praktijk die we hier benoemen als zorgverlening. Een opgelegde keuze blijkt zelden een oplossing.

Ook over dat moeilijke proces getuigen de toeleiders: "‘Mensen vertellen over hun situatie. Dikwijls beginnen ze heel de situatie te vertellen. We overlopen dan heel het verhaal, een losse babbel. We gaan samen na wat prioritair is. Wat primeert er nu in je situatie? Als wijkbrugfiguur geef ik aan wat ik zelf herken, hoor, zie, voel... Ik koppel dit alles terug naar de persoon. De mensen vertellen vanalles, maar vaak vergeten ze bepaalde zaken te zeggen omdat hun hoofd een warboel is. Ik probeer zoveel mogelijk te bevragen, telkens opnieuw vraag ik door. De vraag verduidelijken is een moeilijke opdracht want het is een proces, mensen worden niet graag geconfronteerd met hun eigen verhaal en met het evalueren van de eigen stappen die ze al dan niet gezet hebben. Dat ligt zeer gevoelig. Ze hebben schrik om de confrontatie aan te gaan om bewust te worden van hun problematische situatie."

"Het is frustrerend als ik merk dat mensen niet verder kunnen geholpen worden. Maatschappelijk kwetsbare mensen missen soms kracht en hebben dan een extra duwtje in de rug nodig. Ze kennen de taal niet of niet genoeg en weten heel vaak hun rechten niet. Het systeem is ook niet altijd even duidelijk. Als deze mensen dan, ondanks hoge drempels, toch de weg naar hulp- en dienstverlening vinden, wil dat nog niet zeggen dat ze effectief geholpen worden. Of beter gezegd: het hulpverleningsaanbod is niet op maat voor de allerzwaksten."

Foto 2

Geëngageerde hulpverlening

De hulp- en dienstverlening worden door de informele netwerken teruggeplaatst in een meer globale, maatschappelijke context, waarbij men uitdrukkelijk oog heeft voor de bestaande machtsongelijkheden en machtsstructuren. Het engageren van het informeel netwerk ‘vermaatschappelijkt’ de verontwaardiging. De omgeving van maatschappelijk kwetsbare groepen wordt rechtstreeks geconfronteerd met maatschappelijke uitsluiting en het beperkte vermogen van dienst- en hulpverlening om hierop een antwoord te bieden.

Het informele netwerk is niet alleen toeleider maar ook pleitbezorger van een meer solidaire en herverdelende samenleving. In de praktijk zien we ook verbanden ontstaan tussen de toeleider en de maatschappelijk kwetsbare groepen om samen te ijveren voor betere leefomstandigheden. Binnen het lokaal proactief kader, dus binnen een professionele en geïntegreerde context, hebben informele netwerken een belangrijke meerwaarde. Daarbij is een goede ondersteuning van de toeleiders een must. Een duurzame inbedding van informele netwerken in elke gemeente, gekoppeld aan geïntegreerde basisvoorzieningen biedt een reële meerwaarde voor het bereiken van maatschappelijk kwetsbare groepen, de kwaliteit van dienst- en hulpverlening en het maatschappelijk debat daarover.

De kwaliteit van de dienstverlening dient gegarandeerd te zijn, wat betekent dat mensen ondersteund en geholpen worden om al hun rechten te realiseren. In dat kader is het goed om weten dat onderbescherming ook voorkomt bij mensen die bereikt worden door de dienst- en hulpverlening. We verzetten ons formeel tegen het voorwaardelijk maken van rechten. Het niet kunnen invullen van documenten mag geen reden zijn om de aanvraag tot een sociale woning niet te kunnen doen. Het niet kennen van een taal mag geen reden tot uitsluiting zijn van hulp- en dienstverlening.

De ondersteuning en de keuze van de cliënt moet voorop staan. Protocollen, kwaliteitshandboeken, meldingsplichten leggen in de hulpverlening een te grote nadruk op het procedurele terwijl een persoon in de eerste plaats nood heeft aan een luisterende hulpverlening. Zorgen is eerder een praktijk dan een geheel van regels en principes. Zorgen is een kwaliteit van personen en van een samenleving. Informele netwerken bieden die zorgverlening. Dit moeten we koesteren, maar dit verwachten we ook van de professionele hulpverlening. Maatschappelijk kwetsbare groepen hebben nood aan een vraaggerichte hulpverlening die in de eerste plaats luistert. De dienst- en hulpverlening wordt als ambtelijk en afstandelijk ervaren. Maatschappelijk kwetsbare groepen zijn in de eerste plaats slachtoffers van bestaande maatschappelijke ongelijkheden. Dit perspectief verdient een belangrijker plaats binnen de dienst- en hulpverlening. Deze nood tonen de informele netwerken sterk aan.

Bibliografische verwijzingen

Steenssens, K., Degrave, F., Sannen, L., Demeyer, B. en Van Regenmortel, T. (2007), Leven (z)onder leefloon Deel 1. Onderbescherming onderzocht,Onderzoeksrapport in opdracht van de POD Wetenschapsbeleid ten behoeve van de POD Maatschappelijke Integratie.

Eeman L. en Steenssens K. (2013), Een kader voor lokaal proactief handelen ter bestrijding van onderbescherming, Brussel, Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Aerts, R. (2013), Zonder buurthuis is er geen overkoepelende hulp, Gazet Van Antwerpen, 5 november 2013.

Raeymaeckers, P. (2013), ‘Werken aan netwerken tegen armoede’, Alert, 4.

Bracke, E. (2013), ‘Koen De Vylder over haperende onthaalfunctie CAW Metropool. Vol is vol’, Weliswaar, 115, december.

 

Terug naar het artikeloverzicht