In maart 2013 organiseerde Samenlevingsopbouw de studiedag ‘Politieke ruimte’. Het initiatief kwam er omdat de sector aanvoelt dat haar politieke opdracht onder druk staat. Beleidsmakers staan volledig achter het idee dat opbouwwerkers op een agogische wijze met kwetsbare mensen aan de slag gaan. Maar wanneer die opbouwwerkers met kritiek en voorstellen tot structurele verandering aan de deur komen kloppen, stuit dat steeds vaker op onbegrip of zelfs irritatie. Hoe kijkt de sector naar die evolutie?In het uitstekende Brusselse sociaal restaurant ELAN discussiëren Dirk Masquillier (directeur Riso Vlaams-Brabant en voorzitter van Samenlevingsopbouw), Lut Vael (directeur Samenlevingsopbouw Gent) en Stan De Neve (directeur Samenlevingsopbouw Oost-Vlaanderen) over hoe zij de politieke spanning in hun instituut ervaren.

De discussie blijkt al snel niet alleen te gaan over hoe de sector zich tot de politiek moet verhouden, maar ook tot de burgermaatschappij, het overige middenveld en de markt.


Politieke spanning

Om het gesprek te beginnen vragen we de drie directeurs van waar zij denken dat de toegenomen politieke druk op Samenlevingsopbouw komt. Uit het antwoord van Masquillier blijkt onmiddellijk dat het een subtiel gegeven is: “Als we die vraag louter formeel willen beantwoorden, moeten we kijken of er vandaag in de regelgeving een wijziging is gemaakt, die bepaalt dat wij dat gedeelte van ons werk niet meer kunnen uitvoeren. Nu die wijziging is er heel duidelijk niet. Maar waar zit dan die politieke druk? Want die is wel degelijk aanwezig. Het heeft er volgens mij mee te maken dat je linkse standpunten verdedigt in een rechtse samenleving. Het is nu eenmaal zo dat de rechtse partijen aan de macht zijn en dat voel je. Als Samenlevingsopbouw merk je dat je op bepaalde cruciale momenten minder partner bent.”

Naast het ideologische aspect wijst Masquillier op een bestuurskundige realiteit in Vlaanderen. “Beleidsmakers beweren graag dat ze over de schotten heen willen werken. Met woorden heeft men het over integraal beleid, maar in de praktijk hebben politici niet graag dat hun collega’s zich op hun terrein begeven. Een sector als Samenlevingsopbouw, die vanuit zijn DNA integraal werkt, heeft het daardoor moeilijk. Met wie moeten wij aan tafel zitten als we beleidsvoorstellen formuleren om meer gelijke onderwijskansen in een gemeente te realiseren? De schepen van Onderwijs, die van Jeugd of die van Inburgering? Op het Vlaamse niveau geldt hetzelfde. De minister van Welzijn subsidieert ons, maar in bepaalde dossiers moeten we de minister van Wonen of die van Cultuur onder druk zetten. Dat is niet evident. Strikt genomen heeft dat niets met politieke druk te maken, maar het zorgt er wel voor dat we met onze voorgestelde maatregelen minder ver geraken.”

Vael en De Neve knikken, maar zij kijken ook naar de evolutie die Samenlevingsopbouw zelf doorgemaakt heeft. “We zijn ontstaan uit het socioculturele middenveld. Daardoor stonden dertig jaar geleden thema’s als burgerdemocratie hoger op de agenda. Maar na verloop van tijd hebben we een verschuiving gemaakt naar grondrechten, waardoor armoede, herverdeling en de inrichting van onze samenleving in haar geheel meer aan bod kwamen. Die verandering maakt dat de sector voor zijn politieke werk de laatste jaren een tandje heeft bijgestoken. Dat waren we aan onszelf en aan de mensen waarmee we werken, verplicht. We stelden immers vast dat de zaken die we lokaal realiseerden, zinvol waren, maar weinig tot geen maatschappelijke verandering teweegbrachten. Nochtans zijn ze van wezenlijk belang voor de versterking van de situatie en de positie van maatschappelijk kwetsbare groepen in onze samenleving. We stootten te vaak op de grote maatschappelijke structuren. Als we onze opdracht, namelijk de positie van maatschappelijk kwetsbare groepen verbeteren, echt willen uitvoeren, dan moeten we dus meer aan politiek doen. Anders is het dweilen met de kraan open. Bovendien zijn onze middelen in tijden van economische crisis beperkt. We moeten dus kiezen waarop we inzetten. Gaan we enkel uitvoeren wat de overheid van ons verwacht, of gaan we de zaken op een manier aanpakken zodat we die overheid stilletjes in een richting duwen, waarvan wij weten dat ze goed is voor de mensen in onze projecten? In die zin is ‘politieke druk’ geen goed gekozen term. Als je het over druk hebt, is er maar één partner die zijn wil probeert door te drukken. Het gaat eerder om een spanning. Dat woord drukt de dialectiek tussen het middenveld en de overheid beter uit.”

Dirk Masquillier


Voor een keuze

Wanneer ze het terug over de ideologische component hebben, zijn ze het er alle drie over eens dat ze vandaag de dag met een pensée unique te maken hebben. Vael drukt het zo uit: “De armoede van de politieke partijen is dat ze zich niet meer onderscheiden op belangrijke dossiers. Eigenlijk heb je in Vlaanderen één mainstream ideologie. Daardoor hoor je in wezen geen verschil meer tussen wat een liberaal, een socialist of een christendemocraat zegt. Enkel de extremen verschillen nog van mening. Dat is link, want hierdoor moeten middenveldorganisaties naar de extremen neigen, willen ze nog een verschil maken.” Masquillier ziet nog een andere tendens die hier nauw mee verbonden is: het gebrek aan middelen. “Het echte ideologische gesprek wordt zelden gevoerd omdat het verborgen gaat achter de zogezegde financiële realiteit. ‘Er is geen geld.’ Die dooddoener zorgt ervoor dat elk debat ten einde is nog voor het goed en wel begonnen is. Je hoort dus geen argumenten waarom een bepaalde keuze gemaakt is en niet een andere.”
 
Maar hoe gaat een sector die het maatschappelijke debat net wil aanzwengelen, om met die politieke eenheidsworst? Volgens Masquillier moet Samenlevingsopbouw in de toekomst een keuze maken. “Volgens mij heb je twee opties: ofwel kies je ervoor om op die mainstream mee te surfen en ga je resoluut voor je ‘kleine’ lokale projecten. Dat is trouwens een waardevolle keuze, want ook al veranderen ze de wereld niet onmiddellijk, ze zijn zeer zinvol voor de mensen die eraan deelnemen. Ofwel opteer je ervoor om compromisloos te gaan voor keuzes die nodig zijn om wel tot echte maatschappelijke verandering te komen. Hiervoor zal je soms extreme standpunten moeten innemen en daarmee zal je mensen tegen de schenen schoppen. Daar moet je dan ook de consequenties van dragen, want je zult daarop afgerekend worden. Concreet wil dat zeggen dat je bepaalde zinvolle projecten niet meer gefinancierd zal krijgen door een stadsbestuur. Je zet jezelf als partner soms dus buitenspel. Pas op: de ene keuze is voor mij niet superieur aan de andere. Maar we moeten wel kiezen waar we voor gaan: voor de barricades of voor de dienstverlening. Dat zijn geen gemakkelijke gesprekken, want dat gaat natuurlijk ook over de job van onze medewerkers.”

De Neve is minder radicaal in zijn keuze. “Ik vind het belangrijk dat je met enkele goed gekozen projecten tegemoetkomt aan de noden en behoeften van mensen in een maatschappelijk kwetsbare positie. Die projecten moeten hun alledaagse situatie verbeteren. Maar die dienstbaarheid moet je aan belangenbehartiging koppelen. In onze directe, lokale projecten zie je welke veranderingen je nodig hebt, en dat moet je argument zijn om samen met de mensen uit de projecten bij politici aan te dringen op meer structurele maatregelen. Ik ben het er wel mee eens dat we die kritische rol nog meer moeten uitspelen en ons daarop beter moeten organiseren als sector. De antwoorden die wij geven, zoals ons pleidooi voor meer herverdeling, zijn niet populair in onze huidige maatschappij. Dit mag ons echter niet weerhouden hierop in de komende jaren nog meer in te zetten. Het behoort tot onze opdracht om ongelijkheid in de samenleving mee te helpen wegwerken.”

Lut Vael


Draagvlak

Voor Vael geeft die laatste vaststelling aan dat Samenlevingsopbouw meer verbinding moet maken met de rest van de samenleving. “Het is een vreselijk woord, maar wij missen draagvlak. Dat wil zeggen dat we meer de stap naar het lokale bestuur, de wijk en naar middengroepen in het algemeen moeten zetten. Die laatste groep maakt nu te weinig deel uit van onze werking. We zien elkaar te vaak als tegenstanders. Laat me dat concretiseren met een voorbeeld van uit ons regionaal instituut. In Gent kraakt een aantal dak- en thuislozen momenteel een klooster dat het CAW voorheen gebruikte als opvangplek voor diezelfde mensen. Met de bezetting willen we de stad en het CAW overtuigen om die opvangplaats te behouden. Maar als we alleen die beide spelers overreden, gaan we er niet komen. De buurtbewoners zijn namelijk erg tegen, want zij vrezen overlast. Dat de daklozen voornamelijk Roma zijn, doet de zaak ook geen goed. Maar toch zullen we het gesprek met de buurt moeten voeren. Niet door het conflict te vermijden, maar net door het aan te gaan. Hoe doe je dat? Door ons standpunt uit te leggen: mensen die al 14 jaar in Gent aanwezig zijn, hebben recht op een deftige woning. Als opbouwwerkers moeten we ook zo min mogelijk in naam van die mensen spreken. Door vorming en empowerment moeten we ze in staat stellen om zelf voorstellen te doen, maar ook om naar de bekommernissen van de buurtbewoners te luisteren en zelf na te denken aan welk van die opmerkingen ze gevolg kunnen geven. Die bemiddelende rol is uniek voor Samenlevingsopbouw. Noem mij maar eens een organisatie die dat nog kan.”

Masquillier is het hiermee eens, maar maakt tegelijk de bedenking dat de sector in zijn zoektocht naar draagvlak voldoende kritisch moet blijven. “Ik vind het belangrijk dat je bij de aanpak van een probleem als dit genoeg ruimte behoudt om de grotere structuren te blijven aankaarten. Concreet moet je het in dit dossier ook kunnen hebben over het Belgische en Europese migratiebeleid dat blijft snoeien in de rechten van mensen zonder wettig verblijf. Bovendien moet je er constant over waken dat het beleid Samenlevingsopbouw niet instrumentaliseert. Met dit soort dienstbaarheid bestaat het gevaar dat politici hun verantwoordelijkheid op de civiele samenleving afschuiven. Ik zie ze het al zeggen: ‘Als jullie willen dat deze mensen in die wijk wonen, zorgen jullie er dan maar voor dat alles goed verloopt.’ Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Het kan niet zijn dat omdat je voor de rechten van een groep opkomt, jij ervoor moet zorgen dat die mensen hun rechten gegarandeerd worden. Dat is de taak van de politiek. Pas op, met deze twee bedenkingen, wil ik niet zeggen dat Samenlevingsopbouw dit soort werk niet mag doen, wel integendeel. Ik wijs er alleen op dat het een permanente evenwichtsoefening is waarbij je constant met alle partijen moet onderhandelen.”


Beeldvorming

Als het over draagvlak gaat, kom je na een tijdje haast automatisch bij beeldvorming uit. Masquillier maakt zich daar zorgen over. “Ik vrees dat in de brede samenleving nog steeds het idee leeft dat wij er zijn om de profiteurs te helpen. Dat zorgt ervoor dat je het woord ‘rechten’ haast niet meer mag uitspreken. Nochtans is de realiteit dat de kwesties waar wij aan raken, niet louter de problemen van maatschappelijk kwetsbare groepen zijn, maar die van de hele samenleving. Wanneer we die moeilijkheden aanpakken, creëren we dus een win-winsituatie voor onze mensen en voor de middengroepen. Als we het over de creatie van draagvlak hebben, dan denk ik dat we dat soms te weinig uitspelen. We moeten ons meer afvragen hoe we onze deskundigheid aan de samenleving verkopen. De maatschappij haalt er namelijk ook economische winst uit wanneer wij een probleem oplossen. Wat is de kost van de uitsluiting van zo veel mensen? Ik denk dat je daarvan vreemd zou opkijken.”

De Neve beaamt het met een voorbeeld. “Sociale organisaties worden enkel als een kost gezien. Als mensen het over buurthuizen hebben, dan denken ze dat daar enkel gebabbeld en koffiegedronken wordt. Maar tegelijk concludeert VUB-professor Dominique Verté in een enquête bij 20.000 Oost-Vlamingen, dat hoogbejaarden hun informele netwerk voor het overgrote deel in hun buurt moeten opbouwen. Die mensen zien wij elke dag terug in onze buurthuizen. De contacten die ze daar hebben, zorgen ervoor dat zij ook psychisch gezond blijven, dat zij minder een beroep moeten doen op overheidsvoorzieningen  … Alleen wordt die maatschappelijke bijdrage aan de samenleving nergens verrekend. Het is belangrijk dat onze sector zo’n effectenberekening maakt. Maar dat kunnen we niet alleen. Daar hebben we de deskundigheid van bijvoorbeeld de universiteiten voor nodig.”


Allianties

Wanneer het over allianties gaat, rijst de vraag hoe Samenlevingsopbouw zich tot andere middenveldorganisaties moet verhouden. De Neve en Masquillier bekijken het pragmatisch. “Wij zijn een kleine sector en behoren niet tot het traditionele middenveld. Zo hebben wij geen directe band met een politieke partij, maar raken de thema’s waarmee we bezig zijn wel allemaal aan dat politieke veld. Reken daar nog bij dat wij integraal werken en geen afgebakende niche bespelen, zoals onze collega’s van het Netwerk tegen armoede of de Bond Beter Leefmilieu, en je begrijpt dat het niet altijd simpel is om invloed uit te oefenen. Daarom moeten we ons afvragen hoe we als kleine speler meer invloed kunnen verwerven. Een van de pistes bestaat erin om vaker samen te werken met traditionele middenveldorganisaties, zoals de vakbonden. Zij wegen immers veel meer op domeinen die ook voor ons werk cruciaal zijn, zoals herverdeling via de sociale zekerheid.”In zo’n samenwerkingsverband kan Samenlevingsopbouw zelf een waardevolle partner zijn.

Vael, De Neve en Masquillier zien de meerwaarde van de sector op twee vlakken. “Op de eerste plaats is dat natuurlijk het contact dat wij in onze projecten hebben met mensen in een kwetsbare positie. Die positie biedt ons toch expertise die andere middenveldorganisaties niet hebben. Niet voor niets hanteren wij als regel dat we geen beleidswerk doen op thema’s waar we geen praktijk hebben. De meerwaarde van onze inbreng hangt dus voor een groot stuk af van wie we vertegenwoordigen. Het klopt dat er daarbij altijd een spanning bestaat tussen de mening van de professional en die van de achterban. Als opbouwwerker werk je vanuit een bepaalde missie en maatschappijvisie. Dat maakt dat je achter bepaalde oplossingen niet kan staan. Maar onderschat daarbij de mensen niet. Het is niet omdat ze in een maatschappelijk kwetsbare positie zitten, dat ze de zaken niet zouden begrijpen, wel integendeel. Dat komt natuurlijk ook omdat zij aan den lijve ondervinden wat bepaalde maatregelen betekenen. Dat gezegd zijnde, geeft gewoon herhalen van wat zij zeggen, ons nog geen recht van spreken. Het is de kunst om de kennis van kwetsbare groepen om te zetten naar sterke dossiers die relevant zijn voor beleidsmakers. We slagen daar geregeld in, bijvoorbeeld met het dossier Uithuiszettingen in Sint-Niklaas.”

Naast het inhoudelijke werk lijkt het Vael ook belangrijk om meer beweging te maken. “Af en toe moet je laten zien wie je bent en waar je voor staat. In de communicatie is dat zeer cruciaal. Het zou een ramp zijn, mocht ooit het beeld ontstaan dat Samenlevingsopbouw louter een professionele club zou zijn. Of we daarvoor nog wat kunnen leren van nieuwe sociale bewegingen die erin slagen om op geen tijd een massa mensen op de been te brengen? Misschien wel. Maar vergeet niet dat onze achterban geen middenklassers zijn. Dat wil niet zeggen dat die mensen niet te mobiliseren zijn, kijk maar naar de 700 aanwezigen in de Gentse Vooruit voor het verkiezingsdebat van Ieders stem telt. Bovendien zijn er wel duizend redenen te bedenken waarvoor zij op straat zouden moeten komen. Het is dus zaak om goed te kiezen waarvoor je mobiliseert.”

 

Stan De Neve


Samenlevingsopbouw en de markt

Samenlevingsopbouw wil een emanciperende rol opnemen. Tot nu toe hebben we in dit gesprek daarvoor enkel naar de overheid gekeken. Maar wat met de economie? Het is duidelijk dat er op dit vlak nog veel vragen liggen. De drie directeurs maken zich zorgen over de vermarkting van de zorg en de rigide vrijemarktlogica die de Europese Unie in alle maatschappelijke geledingen wil doordrukken. Masquillier trekt die denkwijze door en stelt de vraag of Samenlevingsopbouw ook een marktrol te spelen heeft. “Misschien hebben wij wel deskundigheid en producten waarmee we de markt op kunnen. Dat wil zeggen dat we een patent zouden nemen op onze methodieken en dat is natuurlijk verre van evident. Tot vandaag vinden wij dat wat met gemeenschapsgeld ontwikkeld is, ook eigendom is van die gemeenschap. Daar staat tegenover dat als we ook meer economische activiteiten zouden ontwikkelen, we de winst zouden kunnen inzetten om onze maatschappelijke opdracht op een meer onafhankelijke manier te realiseren.”

In dit verband steekt de coöperatieve gedachte steeds vaker de kop op in de sector. Het succes van experimenten met Community Land Trust (CLT) bij Samenlevingsopbouw Brussel en Samenlevingsopbouw Gent voeden dat enthousiasme nog. Terwijl De Neve, behoudens het mogelijks innovatieve karakter van deze experimenten, twijfelt aan de reikwijdte van die aanpak en eerder heil ziet in de aanpassing van de economie, zien zijn twee collega’s er een manier in om maatschappelijk kwetsbare groepen af te schermen van de wetten van de vrije markt. Aan de hand van een voorbeeld tonen ze nog enkele andere voordelen van de DIY-aanpak. “In Gent gebruikten de mensen van onze sociale kruidenier samen met de buurtbewoners de oogst van de volkstuintjes om zelf conserven en confituur te maken," Vertelt Vael. "Later verkochten ze die in de winkel. Op zich was dat geen wereldschokkend project, maar de weerklank die het vond, zorgde wel voor een correctie op de dominante beeldvorming. Ineens kwamen de zogenaamde profiteurs op een positieve en productieve manier in beeld. Dat is heel belangrijk. Bovendien kan je hier ook op een structurele manier mee aan de slag. Stel je voor dat je op 100 plaatsen een gelijkaardig project kan realiseren en ze 2000 mensen op een meer zelfvoorzienende manier aan eten kan helpen. Dan heb je recht van spreken en kan je naar OCMW’s stappen om de gronden die zij beheren, te claimen voor jouw project. Die manier van werken kan je niet alleen op voedsel toepassen, maar ook op wonen, arbeid en zelfs onderwijs. Het is door de opbouwwerkers die vandaag in dergelijke projecten experimenteren en voortdurend zoeken naar de juiste evenwichten dat we gaandeweg werk maken van onze innovatieve opdracht. Daarvoor is ook de samenwerking met andere actoren cruciaal. Hier willen we in de toekomst nog meer op inzetten.”

 

 

Terug naar het artikeloverzicht