Bij nogal wat mensen die in sociale organisaties actief zijn, leeft het idee dat de media een conservatief bolwerk is dat met zijn berichtgeving elke maatschappelijke verandering bewust tegenhoudt. Yves Desmet is al jaar en dag het gezicht van De Morgen. Als journalist heeft hij meer dan dertig jaar ervaring op de teller staan, vooral in de geschreven pers met af en toe een uitstapje naar de televisie. Desmet is kortom de ideale persoon om aan te vragen waarom er de laatste jaren zo veel ruis zit op de relatie tussen media en middenveld.

We beginnen ons gesprek met de vraag hoe de media beslissen wat nieuws is en wat niet. Desmet geeft er pas veel later in zijn uitleg met een boutade antwoord op. Ondertussen leren we onder andere dat ‘de media’ niet bestaan, dat de pers enkel een megafoon is van wat er in de samenleving leeft en dat de logica van media en middenveld diametraal tegenover elkaar staan. Het is met andere woorden een heerlijk provocerende babbel.

Yves Desmet politiek en middenveld


De media bestaan niet

Wanneer we Desmet vragen op welke basis de media hun nieuwsselectie maken, wil hij eerst iets duidelijk maken. “Ik wil het hier vandaag eigenlijk niet over de media hebben. Dat is een containerbegrip dat mij opstandig maakt. Ik schrijf voor De Morgen en dat is iets anders dan – met alle respect – Het Laatste Nieuws. Ik schrijf al jaren het tegenovergestelde van Luc Vanderkelen, maar toch steek je ons in dezelfde zak. De media bestaan niet, net zoals het middenveld niet bestaat. Samenlevingsopbouw wordt toch ook niet graag op één lijn met Voka gezet? Op dezelfde manier proberen wij met De Morgen een krant te maken met een eigen waardekader. Wij willen een stedelijke krant zijn, die aandacht heeft voor alle thema’s die daarmee samengaan, ook al zijn die soms minder populair bij een groot publiek. Ik denk bijvoorbeeld aan diversiteit of inkomensongelijkheid.”


De luidspreker van de samenleving?

Ook de premisse dat journalisten het nieuws maken, wil Desmet nuanceren. “Ik weet niet zo zeker of wij het alleenrecht hebben om te bepalen wat nieuws is en wat niet. Ik denk dat er veel meer actoren zijn die daar een rol in spelen. Politici, bedrijfsleiders en de lezers zijn niet louter onze speelbal. Ik geloof niet dat wij zo machtig zijn dat we een mening kunnen opdringen. We versterken alleen wat er al in de samenleving leeft. Ik geef altijd het voorbeeld van de Witte Mars. In mijn carrière heb ik geen enkel ander moment geweten waarop de gezamenlijke pers zo weinig objectief was. Iedereen moest en zou naar de Witte Mars gaan. Met 300.000 deelnemers is het dan ook een van de grootste betogingen in de Belgische geschiedenis geworden. Ik ben ervan overtuigd dat er zonder al die aandacht ook 150.000 mensen hadden gestaan. Mocht er niemand zin gehad hebben om te betogen, konden wij trouwens schrijven wat we wilden, dan was er niemand naar Brussel afgezakt.”Journalisten die enkel de luidspreker van de samenleving zijn?

Wil dat dan zeggen dat gans Vlaanderen er bij de vorige verkiezingen helemaal op zichzelf van overtuigd was geraakt dat Brussel-Halle-Vilvoorde een wezenlijk maatschappelijk probleem was? Wij geloven er niets van. Desmet wijst er opnieuw op dat we niet alles op één hoop moeten gooien: “In onze krant ga je dat niet gelezen hebben. Mensen die het eerst met Yves – vijf minuten politieke moed – Leterme en daarna met Bart De Wever eens waren, zullen daarom De Morgen niet gekocht hebben, en eerder voor De Standaard gekozen hebben. Lezers willen dat hun krant hen informeert, maar ze willen evenzeer dat die hun mening bevestigt en beargumenteert. Net zoals bij andere merken is ook het medium dat je kiest vaak een verlenging van je identiteit.”


Verhalenvertellers

Desmet ontkent ook dat journalisten ideologisch gedreven zijn: “Hier en daar zullen er wel tussen zitten die via de krant aan politiek doen. Maar journalisten zijn op de eerste plaats verhalenvertellers. Ik geef een voorbeeld: Bart De Wever beweert nu al een paar jaar dat elk probleem in Vlaanderen opgelost zal zijn van zodra de Ardennen in het buitenland liggen. En gesteund door een bepaalde pers geraakt hij daarmee weg. Volgens mij is dat omdat de media steeds meer op basis van Hollywood plots opereren. Bart De Wever en N-VA zijn het klassieke from zero to hero-verhaal. De partij die eerst maar één verkozene had, maar nu alle traditionele partijen het vuur aan de schenen legt. Dat zal ooit stoppen. De Wever zal op een bepaald moment uit de gratie raken en dan wordt het Icarus-thema van stal gehaald. Mocht er daarna een nieuwe Steve Stevaert opstaan, gaat de sp.a opnieuw met alle kritiekloze aandacht lopen.”

Onze vrees dat er een conservatief complot gaande is dat elke sociale verandering tegenhoudt, is dus ongegrond? “Was dat maar zo”, zucht Desmet. “Mocht het een complot zijn, dan kon je er iets aan doen: even de samenzweerders ervantussen halen en het was opgelost. Maar dat kan niet. De media zijn een systeem dat via zijn eigen ijzeren logica werkt. Daardoor krijg je een danse macabre tussen enerzijds communicatiespecialisten van politici en bedrijven, die deze mechanismen perfect in de vingers hebben, en journalisten anderzijds. Deze laatsten hebben door de commerciële druk op het vak steeds minder tijd om steeds meer pagina’s te vullen. Daardoor hebben ze niet altijd de mogelijkheden om het gespin te doorbreken. Je ziet: nieuws maken is een labyrint met heel veel impulsen. Het is een complex proces waarbij je heel moeilijk kunt zeggen wie waar verantwoordelijk voor is.”


Dat wat anders … en negatief is

Journalisten zijn dus slechts een schakel in de ketting. Maar zij maken wel een selectie uit de stroom aan feiten die dagelijks op ons afkomt. Maar wat zijn daar de selectiecriteria voor? Desmet geeft toe dat het niet altijd een nobele keuze is. “Wij kiezen eruit wat anders is, wat negatief is ook wel. Om het met een platitude te zeggen: als er elke dag anderhalf miljoen pendelaars veilig naar Brussel reizen, is dat geen nieuws. Die twee die onderweg tegen een boom geknald zijn, zijn dat wel. Zij halen de volgende dag de voorpagina.”Die werkwijze heeft een grote maatschappelijke impact. “Je krijgt een zeer vreemde situatie: uit onderzoek blijkt telkens weer dat mensen best tevreden zijn over de omgeving waar ze wonen, waar ze direct contact mee hebben en waar ze hun kennis dus zelf over opdoen. Of het nu Molenbeek of Sint-Martens-Latem is, circa tachtig procent vindt dat het goed wonen is in hun wijk. Dat zelfde aantal mensen – opnieuw ongeveer tachtig procent – vindt dat het met de wereld die ver van hun afligt heel slecht gaat. Hoe komt dat? Dat zijn wij … de media, om die vreselijke term toch nog eens te gebruiken. De beeldvorming die ze over die onbekende wereld van ons krijgen.”


Zwarte cijfers, geen rode

Nog voor we verontwaardiging kunnen voorwenden over hoe journalisten hun democratische opdracht niet waarmaken, schotelt Desmet ons een zeer ongemakkelijke waarheid voor. “Ik vind dat ook verschrikkelijk, maar it takes two to tango. Het is niet enkel de schuld van de boze journalist, maar ook die van de boze lezer. Het blijkt gewoon dat kranten die een wereldbeeld ophangen dat zegt dat de wereld gevaarlijk is, de hoogste oplages hebben. Het Nieuwsblad heeft ooit een goednieuwskrant gemaakt. Een dag met alleen positieve berichtgeving: een portret van de vrijwilliger van het jaar, de kleuterjuf van 65 die op de dag van haar pensioen door al haar oud-leerlingen werd gevierd … Welnu, die editie staat tot op de dag van vandaag geboekstaafd als het slechtst verkochte ‘Het Nieuwsblad aller tijden.”

Als voormalig hoofdredacteur stond Desmet dus elke dag voor de vraag hoe hij een objectief, en waarheidsgetrouw beeld van de wereld geeft, waar hij ook nog eens een krant mee verkoopt. “Sommige kranten, zoals De Morgen, proberen zich wat meer aan die ijzeren logica te onttrekken, maar makkelijk is dat niet. In de loop van mijn carrière heb ik het trouwens enkel erger zien worden. Door de introductie van sociale media is het nieuws van ’s ochtends ’s avonds al verouderd. Bovendien dwingt primeurdrang ons ertoe om nog meer van steekvlam naar steekvlam te hollen. Nieuws wordt ook steeds bloeddorstiger: we zijn steeds op zoek om koppen te doen rollen. Ik zeg wel eens dat we niet meer de waakhonden, maar de jachthonden van de democratie zijn geworden. Je kunt daar cynisch over doen, maar op het einde van het jaar moet ik nu eenmaal zwarte cijfers hebben. Als ik er rode heb, gaat de boîte hier vroeg of laat dicht. Ik werk nu eenmaal op een vrije markt en dat wil zeggen dat dit de regels van het spel zijn.”


Alternatieven

Hoe doe je daar iets aan, willen wij weten. “Door tegenbeweging op te zetten. Ken je de slowfoodbeweging? Die is eind jaren tachtig in Italië ontstaan toen McDonald’s in Turijn een nieuwe vestiging opende. Een aantal mensen waren in hun trots gekrenkt omdat ze vonden dat ze met hun superieure Italiaanse keuken geen nood hadden aan die smerige fastfood. Ze besloten in te zetten op lekker en gezond eten met duurzame producten als basis. Hun symbool is een slakje. Als je het in Italië op de deur van een restaurant ziet staan, ga binnen, je zult er voor geen geld overheerlijk eten. Op eenzelfde manier probeer ik voor slow news te gaan, weg van de waan van de dag met veel aandacht voor achtergrond en context. Maar dat is niet makkelijk, vooral omdat nieuws gratis geworden is en dus goedkoop gemaakt moet worden. Net als met fastfood stillen mensen hun honger naar nieuws door op het internet korte, oppervlakkige stukken te lezen. Daarmee ben je natuurlijk niet echt geïnformeerd. Daarvoor heb je meer diepgravende artikels nodig, maar om die te maken heb je expertise nodig … en dus geld. Je kunt die dans niet ontspringen. Als hoofdredacteur van De Morgen probeer ik mijn mensen zo veel mogelijk tijd te gunnen om kwalitatief hoogstaande stukken te maken in de hoop dat we zo voldoende oplage en publiek genereren om het rendabel te maken.”

Desmet is in ieder geval sceptisch over alternatieve media. “De Wereld Morgen kan alleen overleven dankzij de steun van middenveldorganisaties. Ik stel mij trouwens de vraag of dat wel een serieuze en objectieve vorm van journalistiek is. Over Apache en De Correspondent van Rob Wijnberg, die eind september van start gaat, ben ik wel enthousiast. Maar ik stel vast dat Apache nu al achter een betaalmuur zit. Zij moeten ook inkomsten genereren, want zonder middelen kan je simpelweg geen hoogwaardig product afleveren. Wijnberg probeert het nu met crowdfunding. We zullen zien wat het wordt. Ik weet dat ik na mijn pleidooi voor slow news nogal schizofreen ga klinken, maar een probleem waarmee ‘De Correspondent’ zal kampen, is het feit dat nieuws een dagvers product is. Wijnberg gaat ervan uit dat je er één stukje kan uitpikken en dat mensen dat voldoende vinden. Dat is niet zo: met die aanpak mis je 99 procent van wat er in de wereld gebeurt. De Morgen mist ook 50 procent, maar kiest elke dag op basis van de nieuwsbehoefte van de lezer wat we allemaal brengen Ik geloof niet in een mediamodel waar je enkel de kersen serveert en niet langer de taart. Ik gun het hen wel, van harte zelfs, maar ik vraag me af of ze leefbaar zijn.”


Media en middenveld

Een van de redenen dat nogal wat middenveldorganisaties initiatieven als De Wereld Morgen steunen, is omdat ze gefrustreerd zijn met de traditionele media. Desmet begrijpt die ergernis wel. “Als je voor een sociale organisatie gaat werken, ben je een idealist. Je wilt de samenleving beter maken, maar de overheid geeft je vaak niet voldoende middelen om die taak uit te voeren. De maatschappelijke waardering is de laatste tijd ook al niet hoog en dan laat die verdomde pers je ook nog eens in de steek door maar niet over je te schrijven. Natuurlijk is dat frustrerend. Maar waarom schrijven wij niet over jullie? Laat me het aantonen met een voorbeeld. In mijn vriendenkring zijn er een aantal mensen actief in de wereld van de amateurkunsten. Ook zij zijn gefrustreerd omdat ze geen aandacht krijgen. Ze werken nochtans elke week met een paar duizend vrijwilligers. Een tijdje geleden brachten we wel een groot stuk over een amateurtoneelgezelschap. Waarom? Omdat het samenwerkte met het Toneelhuis en dat interesseert wel veel mensen. Hoe jammer ik het ook vind, maar voor die duizend vrijwilligers alleen kan ik geen krant maken. Wij publiceren ook niet de uitslagen van elke Vlaamse amateurvoetbalploeg, maar wel die van Barcelona, want daar zijn onze lezers in geïnteresseerd. Hetzelfde met het sociaal-culturele middenveld. Wat jullie doen, boeit jullie en jullie doelgroep, maar slechts weinig anderen. Daarnet vroeg je me wat nieuws is. Wel puur commercieel en een beetje cynisch zeg ik: nieuws is wat een groot genoeg aantal mensen interessant vindt, wat wij kunnen verkopen aan een grote groep lezers. Als Samenlevingsopbouw morgen met 20.000 man de straat op gaat, dan staan jullie de dag erna in de krant. Doen jullie rustig en ongedwongen jullie werk dan staan jullie er niet in, want dat is, met alle sympathie, niet interessant genoeg.”

Een ander belangrijk element dat Desmet aanhaalt, is dat media en middenveld twee werelden zijn met een logica die niet compatibel is. “Hoe jullie ageren, functioneren, het staat allemaal haaks op hoe de media werken. Jullie gaan grondig tewerk, bestuderen problemen traag en komen dan met genuanceerde antwoorden. Allemaal zaken die wij uiterst vervelend vinden. Wij willen een snel, flitsend antwoord dat liefst heel duidelijk kant kiest. Ik zeg het karikaturaal, maar sociale organisaties moeten daar rekening mee leren houden. Vroeger hoefde dat niet omdat kranten voor hun businessmodel afhankelijk waren van wat de zuil hen toestopte. Zij betaalde de gazet en dus publiceerde die wat zij erin wilden zien staan. Het gevolg was dat een memorandum, dat geen kat interesseerde, toch paginagroot in de krant stond te blinken. Dat model is voorbijgestreefd. Kranten zijn afhankelijk van hun lezers en dat saaie memorandum krijg je, ook aan een hoogopgeleide lezer van De Morgen, niet verkocht.”

Als tip geeft Desmet daarom mee dat sociale organisaties moeten nadenken over welke verhalen ze willen vertellen. “Maak van dat saaie memorandum een case met mensen, op een manier die voor een groot publiek behapbaar is. Johan Vande Lanotte legt ook niet uit hoe een groepsaankoop technisch in zijn werk gaat. Hij geeft een persconferentie midden in een buurthuis waar 50 mensen samen elektriciteit hebben gekocht en honderden euro’s hebben bespaard. Want daar kunnen journalisten enkele mooie beelden schieten en uit de mond van gewone mensen horen wat zij aan die maatregel gehad hebben. Je mag daar vies van zijn en je principieel opstellen, maar kom dan niet klagen dat je niet in de krant komt. Het idee dat je goed bezig bent en daarom aandacht van de media moet krijgen, is onzin. Zo vriendelijk zit de wereld niet ineen. Als je niet wil meestappen in de logica van de media, gaan die media niet meestappen in jouw verhaal.”


Maatschappelijke verantwoordelijkheid

Hebben die media naast hun commerciële logica dan geen maatschappelijke verantwoordelijkheid? We geven als voorbeeld de berichtgeving over armoede. Dat is een maatschappelijke kanker. Moeten journalisten het publiek daar niet bewust van maken? Desmet knikt: “En we doen dat ook. In januari heeft De Morgen er zelfs een hele reeks aan gewijd. We hebben toen gemerkt dat het ook niet zo gemakkelijk is. Zo blijken nogal wat armoedeorganisaties er niet uit te zijn of nu de armoede belicht moet worden, dan wel de organisaties die zich met armoede bezighouden. Bovendien kregen we het verwijt dat we paternalistisch bezig waren en louter op liefdadigheid mikten. Toen we bij het middenveld op zoek gingen naar steun voor onze actie om 7000 mensen een maaltijd voor te schotelen, wees de helft van die organisaties ons de deur omdat het niet structureel genoeg was. Dat zal wel. Ik wil daar best over discussiëren, maar wij proberen het thema met onze knowhow in journalistiek wel aandacht te geven.”

Je kunt je de vraag stellen of deze kijk op journalistiek voor een samenleving wel gezond is. Zorg je er niet voor dat het publiek een vertekend beeld van de werkelijkheid krijgt? Desmet is daar stellig in: “Die vertekening is er zeker, maar een vrije pers is een basisvoorwaarde voor een goed functionerende democratie. En ja, die pers is vandaag wat te hijgerig, maar ze controleert wel de macht. Ik ben de laatste die zal beweren dat alles perfect loopt, maar ik stel vast dat het al even geleden is dat we nog een Agustaschandaal gehad hebben. We zien ook geen obscure achterkamerdeals meer, die in de tijd van de partijpers schering en inslag waren. De diversiteit aan pers maakt ook dat bij ons de media elkaar in het oog houden. Op die manier controleren ze zichzelf. Maar ondanks die diversiteit is de basis voor nieuwsselectie overal dezelfde. Wij gaan dus geen van alle jullie droge memoranda publiceren en als we dat al zouden doen, zou niemand ze lezen.”


Terug naar het artikeloverzicht