Na een carrière van 32 jaar bij Samenlevingsopbouw Brussel ging Alain Storme dit jaar op pensioen. Om al zijn kennis, denkwerk en ervaring niet verloren te laten gaan, bracht hij voor die gelegenheid het boek ‘Dwarsliggers voor opbouwwerk’ uit. Wij spraken met hem over stadsvernieuwing en armoedebestrijding.

Alain1

Stadsvernieuwing

In ‘Dwarsliggers voor opbouwwerk’ noem je de opwaardering van de stad één van de opvallendste trends waarmee je in je carrière geconfronteerd bent. Kan je daar wat meer over vertellen?
Storme: Toen we begin jaren tachtig in Brussel begonnen te werken was dat in de Kanaalzone. De omstandigheden waren er penibel en de bevolking –migranten en ouderen – erg kwetsbaar. De overheid had helemaal geen aandacht voor dit gebied. Als Samenlevingsopbouw moesten we haast op onze knieën gaan bedelen voor middelen. Maar langzaamaan keerde die desinteresse. In de jaren ’90 kwamen er de wijkcontracten en nog later pakte het beleid uit met grootschalige projecten die de binnenstad moesten doen heropleven.

Dus je kan van een succes spreken?
Storme: Zo eenvoudig is het niet. Onder het mom van sociale mix zijn een aantal wijken wel opgewaardeerd, maar dat is met een grote sociale verdringing samengegaan. De oorspronkelijke bewoners konden de prijzen in die buurten niet meer betalen. Nieuwe, rijkere groepen kwamen in de plaats. Je ziet dat trouwens niet alleen in Brussel, maar ook in bijvoorbeeld Antwerpen, Gent of Leuven. Stadsvernieuwing is onderworpen aan bepaalde trends, waarbij steden de knooppunten vormen voor economische bedrijvigheid in het kader van de kenniseconomie.

Sociale mix heeft dus geen sociale motieven?
Storme: Het is een complex verhaal. Sociale menging vertrekt vanuit een dubbelzinnige doelstelling. In het discours heeft men het over armoedebestrijding maar dat is een sociale wenselijkheid, die tegenover economische noodwendigheden staat. Wil een stad in de context van globalisering echt zo’n knooppunt zijn, moet ze kapitaal aantrekken. Maar armoede bemoeilijkt dat. Sociale problemen verstoren immers het beeld van de veilige gedroomde stad. Je moet de boel dus een beetje opkuisen. Steden kunnen moeilijk anders want ze staan in concurrentie met elkaar. Als Leuven zijn best doet, dan gaat dat zijn invloed hebben op Diest. Als Diest zijn best doet voelen ze dat in Tienen, enzovoort. In Vlaams Brabant is Leuven een centrumstad van de eerst orde geworden. De andere liggen een beetje op apegapen.

“Uit verdringing van armoede blijkt niet zozeer een strijd tegen de armoede maar wel een strijd tegen de armen zelf”, klinkt het in ‘Dwarsliggers voor opbouwwerk’. Je bent wel streng als het over sociale mix gaat.
Storme: Sociale menging vertrekt vanuit een veronderstelling dat je armoede kan bestrijden door het goede voorbeeld te geven. Men gaat er bijvoorbeeld van uit dat armen hun tijd niet kunnen besteden. Dat ze laat opstaan, een slecht arbeidsethos hebben enzovoort. De idee is dat wanneer je in zo’n buurt nieuwkomers introduceert die aan het werk zijn, zij het goede voorbeeld geven aan de oorspronkelijke bewoners. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Als je mensen met zeer verschillende cultuurpatronen bij elkaar zet, ontspinnen er zich maar zelden spontaan relaties. In het overgrote deel van de gevallen blijft het een wij-zijverhaal.

Maar het is toch zo dat de buurten waar er op sociale mix ingezet wordt, vaak vooruit gaan.
Storme: Dat klopt. Maar voor wie gaan ze erop vooruit? Vanuit het perspectief van de nieuwe bewoners blijken die wijken leefbaarder te worden. Alleen neemt men in die voorbeelden veel te weinig de menselijke kost in rekening voor de oorspronkelijke bewoners. Omdat de huisvestingsmarkt veel te weinig gereglementeerd is, worden zij het slachtoffer van sociale verdringing. Het gevolg daarvan is dat zij ergens anders een nieuwe woning moeten zoeken, maar dat is niet alles. Hun situatie gaat er fundamenteel op achteruit.

Hoezo?
Storme: In wijken met veel armoede hebben mensen overlevingsstrategieën ontwikkeld. Via onderlinge solidariteit houden ze het hoofd boven water. Maar omdat ze door de nieuwe dure huurprijzen moeten verhuizen, geraakt hun netwerk doorbroken. Ze worden dus op zichzelf terug geworpen en moeten elders helemaal opnieuw beginnen. Vandaar mijn conclusie dat dit geen strijd tegen armoede, maar een strijd tegen de armen is.


Armoedebestrijding

Hoe moet armoedebestrijding er volgens jou dan wel uitzien?
Storme: Laat me theoretisch beginnen. Ik vind dat je armoedebestrijding moet zien als een verhouding, als een sociale relatie. Het is een zaak die eigenlijk voortkomt uit een strijd waarbij de belangen van de ene groep botsen met die van een andere. Het reilen en zeilen van de ene groep heeft daarbij een effect op wat de andere ervaart. Het huidige debat is dat volkomen vergeten. We spreken over armoede als een statisch feit. De armen zijn een aparte groep mensen die een aantal kenmerken hebben en daaraan moet gewerkt worden. Aan de andere kant heb je de niet armen en die hebben daar au fond weinig mee te maken.

Wat betekent dat idee van armoede als sociale relatie voor het beleid?
Storme: Met een boutade betekent het dat structurele armoedebestrijding ook rijkdombestrijding inhoudt. Herverdeling dus en niet allerhande argumenten verzinnen waarom het moeilijk is om het geld te zoeken waar het zit. Maar het gaat niet alleen over belastingen. Neem het onderwijs: we, en dan bedoel ik ook het opbouwwerk, zetten massaal in op ouderbetrokkenheid. Dat is goed. Alleen moeten we ook verder durven kijken en serieus nadenken over welke mechanismen ervoor zorgen dat mensen met een bepaalde achtergrond het structureel moeilijker hebben op school. Natuurlijk is dat veel moeilijker, want dan ga je het systeem in vraag stellen.

Kan je dat die manier van denken toepassen op het thema waar we het daarnet over hadden: stadsvernieuwing en sociale mix?
Storme: Als je het over sociale mix hebt, mag je dat niet alleen doen in kansarme wijken. Ik vind het nogal een vreemd idee om te geloven dat gated communities geen maatschappelijk probleem zijn. Bewoners in zulke wijken en gemeenten wonen op zichzelf, zijn solidair met elkaar, maar niet met de rest van de samenleving. We moeten de lasten delen. Dat wil zeggen dat er ook in wijken met standing sociale huisvesting moet komen.

En het beleid in de kansenwijken?
Storme: Dat moet gericht zijn op sociaal opwaartse mobiliteit van de bewoners. Het is veel beter om mensen die ergens wonen rijker te maken dan er rijken te importeren. Daar heb je goed onderwijs, goede huisvesting en goede dienstverlening voor nodig. Net als een huur- en koopmarkt die strenger gereglementeerd is. Natuurlijk kom je dan bij de vraag terecht hoe we dat allemaal moeten betalen. Maar daar hadden we het daarnet al over. Ik zeg altijd: er is voldoende geld.

Heeft het opbouwwerk die kritische bril genoeg opgehad?
Storme: We moeten durven toegeven dat dat niet altijd het geval was. Als ik kijk naar het begin van mijn carrière dan waren wij vooral met leefbaarheid bezig. De overheid vroeg ons om haar renovatiebeleid te flankeren met sociaal artistieke projecten. Toen stelden we vast dat we eigenlijk bezig waren om die wijken voor een bepaalde groep nieuwkomers aantrekkelijker te maken. De huisprijzen schoten de hoogte in en de mensen voor wie wij dachten dat de renovaties bedoeld waren, kwamen niet meer aan de bak. Het was een les. We leerden dat we goed moesten nadenken over onze doelstellingen en of die wel overeenkwamen met de doelen van het beleid. Tegelijk deed het ons meer de nadruk op huisvesting leggen. Sociale huisvesting en betaalbare en bewoonbare huizen, die ervoor zorgen dat ook kwetsbare groepen het recht op de stad kunnen bouwen. Maar dat inzicht is gaandeweg gekomen. Het geeft aan waarom ik theoretische visievorming altijd van cruciaal belang heb gevonden.


Vermaatschappelijking

Een maatschappelijke tendens waar die visievorming vandaag heel urgent is, is vermaatschappelijking. Hoe kijk jij daarnaar?
Storme: Dat is een moeilijk debat. Het opbouwwerk heeft altijd gepleit voor het democratische principe dat mensen zoveel mogelijk betrokken zijn bij de vormgeving van hun samenleving. Aan de andere kant zie je dat die vermaatschappelijking past in het discours dat stelt dat de overheid te weinig middelen heeft en zichzelf daarom inperken. Mensen worden zelf verantwoordelijk gesteld voor bijvoorbeeld zorg. De vraag is dan: waar eindigt mijn verantwoordelijkheid en waar begint die van de overheid?

Waarom is dat een probleem?
Storme: Ik geloof niet dat welzijn iets is dat door de markt geregeld kan worden. Organisaties die op de eerste plaats naar winst streven en aan concurrentie onderhevig zijn, kunnen niet op dezelfde manier naar kwaliteit streven.

Kijk naar Bpost zeggen de voorstanders dan.
Storme: Dat is in bepaalde opzichten misschien een succesverhaal, maar daarvoor heb je tal van tegenvoorbeelden. Kijk naar de geprivatiseerde spoorwegen in het Verenigd Koninkrijk. Bovendien zijn dat geen welzijnsorganisaties. Ik weet wel dat mijn verhaal als conservatief weggezet wordt, maar dat is net de sterkte van liberalisme. Het slaagt er steeds in zijn eigen conservatieve reflex om te buigen in een zogezegd vooruitstrevend verhaal. Dat is het enorme ideologische potentieel dat daar achter zit.


Verzet

Verzet het opbouwwerk zich daar voldoende tegen?
Storme: Moeten we terug de barricades op? Voor een stuk wel, maar we hebben nogal de neiging om met nostalgie terug te kijken naar de idyllische periode van begin jaren 80. Toen kwamen we sneller op straat terwijl nu de methodiek in projecten primeert.

Is dat een slechte evolutie?
Storme: Ik sta daar wel kritisch tegenover ja. Daarbij kijk ik ook naar de sociale scholen. Ik heb soms de indruk dat ze daar bezig zijn met techniekers op te leiden en dat alles wat met ideologie en rechtvaardigheid te maken heeft naar de achtergrond verwezen is. Maar ik wil het kind niet met het badwater weggooien. Uiteraard vind ik het ook belangrijk dat je ook op een goede manier iets doet en dat je daarbij efficiënt bent. Waarschijnlijk kan je daarvan trouwens zeggen dat dit dertig jaar geleden een mankement was. Maar ik blijf er wel bij dat door die verzakelijking de technocratie en dus de depolitisering in onze sector binnen geslopen is. Ik hoop dat we dat kunnen herstellen, maar vrees dat dit zeer moeilijk zal zijn. We roeien in tegen een algemene sfeer die dat ten alle prijzen wil beletten.

Wat betekent die herpolitisering van de sector voor jou?
Storme: Ik denk dat het belangrijk is dat de sector een nieuw evenwicht zoekt tussen de drie vormen van opbouwwerk. Het beleidsgericht opbouwwerk dat binnen het huidige maatschappelijke kader er het beste van probeert te maken. Het radicaal opbouwwerk dat dit kader wil doorbreken en de spelregel van de samenleving structureel wil veranderen. Tenslotte het kritische opbouwwerk dat over onze eigen positie reflecteert en vragen stelt als: waar willen we precies naartoe, wat zijn onze waarden en normen; en welke macht hebben we om iets te bereiken?


‘Dwarsliggers voor opbouwwerk’ van Alain Storme is uitgegeven bij EPO