‘De rijkste wijk van Antwerpen als je vanachter begint.’ Zo omschrijven bewoners wel eens Deurne-Noord, een buurt gekneld tussen het Sportpaleis, de Ring en het Bosuilstadion. Er is heel wat verkeer, geluidsoverlast en armoede. Toch zijn veel bewoners trots op hun wijk. Een van de redenen is buurtwerking Dinamo van Samenlevingsopbouw Antwerpen stad. Deze zomer brengen we elke week het verhaal van één van de mensen in het buurthuis. Van bezoekers over vrijwilligers tot professionals. Wat drijft hen naar het buurthuis? Wat vinden ze daar en wat dragen ze bij? Het resultaat zijn soms treurige, soms grappige, maar altijd hoopgevende verhalen vol energie. Deze week: buurt- en opbouwwerkster Joke.

‘Je moet eerlijk zijn: dit is niet de leukste wijk om te wonen. Het is pas als  je de mensen ontmoet, dat je verliefd wordt op Deurne-Noord. Dat vraagt om een bepaalde aanpak. Het woningbestand, de Ring, het Sportpaleis … Dat zijn zaken waar je moeilijk aan kan. De kans dat je ontmoedigd geraakt, is groot. Daarom proberen we bij Dinamo niet vanuit de problemen te vertrekken. Wij kijken naar wat mensen kunnen en naar wat je wel met de wijk kunt doen om het leven hier te verbeteren. Alleen zo houd je het vol. Ik vind zo’n manier van werken veel fijner. Als er hier een zekere chaleur hangt, dan heeft dat daar veel mee te maken.

 

Joke 1

Foto: Samenlevingsopbouw Antwerpen stad©


Goed luisteren

Toen ik klein was had mijn oma een boekenwinkel op de Ten Eekhovelei. Later heeft mijn mama dat overgenomen. Ik herinner me nog hoe de Reuzenstoet voorbijkwam. Vroeger waren er wel meer winkels. Bakkers, beenhouwers, een postkantoor verderop in de straat. De huizen zijn dezelfde als vroeger, maar de bewoners zijn veranderd. Er woonden toen veel mensen die bij de gemeente werkten. Ik denk dat ze zich daardoor meer verbonden voelden met Deurne en minder met de stad na de fusie in 1983.

Ik kende ook veel mensen die aan de dokken hadden gewerkt. Als kind ben je je daar niet bewust van, maar het ging er toch ruw aan toe. Ik merkte dat toen ik in 1999 begon. Ik kwam pas van school en iedereen was hier zo rad van tong. Het was pas toen ik op een debat Eddy – de moderator – bezig zag dat ik het begreep. Die gast deed gewoon even plat als zij en dat pakte. Ik heb daar veel van geleerd. Je moet niet bang zijn van mensen. Ze vinden het fijn dat je iets terug zegt. Maar je moet ook luisteren. Heel veel en goed luisteren, want er leeft veel ongenoegen.


Wrevel

Ik vrees dat er hier vandaag veel armoede en eenzaamheid is. Ik heb me eens laten vertellen dat in 1986 het gemiddelde inkomen in Deurne 116 procent bedroeg ten opzichte van het nationale inkomen. Vandaag is dat gezakt naar 86 procent. Dat komt door het verdwijnen van de industrie in de haven. GM is daar een voorbeeld van. Vroeger hadden de mensen een goed loon, nu moeten ze veelal met vervangingsinkomens rondkomen.

Daar komt nog bij dat Deurne-Noord meer en meer een aankomstwijk voor nieuwkomers is. Dat creëert wrevel. Veel oudere arbeiders hebben in de loop der jaren hun huis opgeknapt. Ze voelen zich hier nu ongemakkelijk, maar willen of kunnen niet verhuizen. Ik hoor het vaak: “De buurt verandert en ik heb zoveel geld in mijn huis gestoken.” Toch zijn ze trots op hun buurt. Ik heb al gemerkt: als je het hier een kansarme buurt noemt, worden ze boos.

Toen wij begonnen was Deurne-Noord een beetje vergeten gebied. Er waren bijna geen stedelijke diensten. Er was een wijkkantoor, maar dat is gesloten. Uiteindelijk is er in 1999 een wijkontwikkelingsplan voor Deurne-Noord opgesteld. Dat had vijf thema’s: wonen, jongeren, bestuurlijke vernieuwing, ruimtelijke ordening en netwerken. Netwerken omdat duidelijk werd dat er wel een verenigingsleven was, maar dat dit met de vele nieuwkomers slechts een beperkte groep mensen bereikte. De oplossing was een buurtwerking.


Van huis tot huis

Zo ben ik met een collega van huis tot huis gegaan. De aanleiding was de heraanleg van het Bisthovenplein hier in de buurt. We zijn de bewoners eenvoudigweg gaan vragen hoe zij dat zagen en hoe zij dachten dat dit het best aangepakt zou worden. We hebben ook met de scholen gesproken. Daar kwam al snel uit dat mensen zich zorgen maakten over de verkeersveiligheid in de buurt. Zo hebben we een grote optocht met achthonderd kinderen gehouden waarmee we langs enkele gevaarlijke plekken in de wijk wandelden.

Toen de buurtwerking er was, hebben we gekozen om zoveel mogelijk mensen te lokken. We wilden ons absoluut niet beperken tot een kleine, gesloten groep. Daarom hebben we acties gehouden die ons heel zichtbaar maakten: een muurschildering, een petanquebaan …

Een strategie daarbij was de activiteit op een speciale plek in de buurt organiseren die nog niet door anderen geclaimd was. Aankomen mag was daar een mooi voorbeeld van. Nieuwelingen in de wijk lieten zien wat voor hen belangrijk was. Die tentoonstelling vond plaats in de Wolmolen, die toen al even leegstond. Bezoekers waren op de eerste plaats waarschijnlijk niet geïnteresseerd in de tentoonstelling, maar iedereen wou dat prachtige gebouw nog wel eens zien. Mensen hadden daar herinneringen aan. Toen het nog een textielwinkel was, hadden sommigen daar hun trouwkostuum gekocht. Anderen hadden er vaak in de wachtzaal gezeten  toen de dokter er nog woonde. In ieder geval zorgde die aanpak  voor veel volk, zeer verschillend volk ook. Allemaal mensen die we konden aanspreken over het buurtwerk.


Inzetten op beleidsverandering

Een van de punten die we in onze strategie steeds in het oog houden is dat we mensen willen informeren over wat er beleidsmatig in de buurt gaande is. De werken aan de Ring, de verkiezingen ... Als er zich problemen voordoen, proberen we samen naar oplossingen te zoeken. Het fietsatelier is er gekomen na reflectie over de enorme verkeersdruk in de wijk. Het is maar één voorbeeld van hoe we proberen om bewoners een stem te geven in de wijk.’

We richten ons op de drie wijken van Deurne-Noord. In Ten Eekhove en Conforta gaat dat haast natuurlijk. Het huidige buurthuis ligt in Ten Eekhove, het vorige op de grens met Conforta. Beide buurten gaan in elkaar over. Voor Kronenburg lag dat anders. De drukke Bisschoppenhoflaan werkt als een natuurlijke grens. Mensen weten daardoor niet altijd wat er in andere delen van Deurne-Noord te doen is. Met het project De Overstap tonen we hen waar de bib is, gaan we met de ouders eens langs bij het stadslabo JES. Voorts organiseren we repaircafés, deelmarkten … allemaal om een nieuw publiek aan te boren. “Outreachend werken”, heet dat in het jargon. Dat werkt.


Dat kost tijd

We beginnen daarbij niet van nul. Je merkt dat de inspanningen van de voorbije jaren renderen. We moeten onszelf niet meer voorstellen. Mensen kennen ons, en nog belangrijker, ze vertrouwen ons. “Joke en Hafida organiseren iets. Dan gaan we kijken, want dat zou wel eens interessant kunnen zijn voor mij.” Ik kan je wel vertellen dat je zo’n vertrouwensband niet van vandaag op morgen opbouwt. Dat kost tijd. daarvoor moet je je echt in een wijk ingraven.

Voor veel mensen zijn Hafida en ik het gezicht van Dinamo. Dat klopt niet. Een buurtwerking kan enkel marcheren als er een goed team achter zit. Elke opbouwwerker heeft zijn eigen stijl, maar alleen zijn we niets.


Geert Schuermans


Dit verhaal komt uit het boek 'Tubes en talloren - Lief en leed in Deurne-Noord' uitgegeven bij EPO.